thema

Beroepspraktijk

Arbeidsmarkt en culturele netwerken

Het coronavirus heeft een harde klap uitgedeeld aan een sector die het afgelopen decennium reeds op zijn kwetsbaarst was: met minimale reserves, een groeiende afhankelijkheid van eigen inkomsten en een overweldigende hoeveelheid zelfstandigen. Het Centraal Planbureau schatte in dat de culturele sector na de horeca het meest kwetsbaar is voor faillissementen als gevolg van corona (Soederhuizen et al. 2020). Het CBS becijferde daarnaast dat de gemiddelde omzet van ruim 65 procent van de zzp’ers in het tweede kwartaal van 2020 daalde met 69,4 procent ten opzichte van een jaar eerder (CBS 2020a).

Minder duidelijk zijn echter de specifieke gevolgen voor de verschillende culturele deelsectoren en de organisaties en werkenden daarbinnen. Het blijft ook nog gissen naar hoe de effecten voor verschillende actoren elkaar beïnvloeden en naar de werking van de corona-gerelateerde steunmaatregelen. Inzicht in de onderlinge afhankelijkheid van werkenden in de culturele keten is dan ook van groot belang, ook los van corona. Met de nieuwe landelijke cultuurmonitor willen we in samenwerking met partners bijdragen aan een informatievoorziening die op termijn wel in deze inzichten kan voorzien.

In deze tekst doen we verslag van de test die we hebben uitgevoerd om tot een beter begrip van de arbeidsmarktpositie in verschillende deelsectoren te komen. Voor de pilot is hiervoor een test uitgewerkt voor (delen van) de letterensector en de beeldende kunst, met makers als vertrekpunt. Dit hebben we gedaan door naar de structuur van de arbeidsmarkt en arbeidsverhoudingen te kijken. 

Dynamiek binnen de culturele arbeidsmarkt

Hoewel al veel bekend is over de culturele arbeidsmarkt en de daaraan gerelateerde beroepspraktijk, ontbreekt daarbij het onderlinge samenspel tussen de verschillende actoren in een deelsector. Wat gebeurt er bijvoorbeeld met de inkomsten van popmuzikanten als de inkomsten van poppodia dalen of stijgen, en waarom? Welke afspraken zijn er over arbeidsrelaties en sluiten deze nog voldoende aan bij de praktijk? Het inzichtelijk maken van de dynamiek binnen zo’n cultureel netwerk maakt de zwakke plekken (en kennislacunes) in de sector zichtbaarder, wat ook van belang is voor toekomstig beleid.

Ook op opiniepagina’s in dagbladen klonk dit jaar de oproep om deze dynamiek beter in beeld te krijgen. Daarbij zou de maker meer centraal moeten worden gesteld, om te voorkomen dat er te veel vanuit (bestaande) instellingen wordt gedacht (zie bijvoorbeeld Kessels et al. 2020, Heinsius et al. 2020). De rol van diegenen die niet direct aan deze instellingen verbonden zijn, maar wel van groot belang zijn voor de productie en presentatie van kunst en cultuur, blijft zo namelijk veelal buiten beeld. Mede vanuit die gedachte zijn er de afgelopen jaren studies gedaan om de culturele netwerken al enigszins in kaart te brengen of suggesties te doen voor een goede operationalisering van begrippen als biotoop of ecosysteem (Janssens 2016, Hodes et al. 2018, Veldman et al. 2020).

De Raad voor Cultuur omschreef een cultureel ecosysteem eerder al als een ‘geheel van onderling verbonden netwerken in het cultuur- en kunstenveld’ (Raad voor Cultuur 2017, 19). De Raad koppelt deze ecosystemen aan hun regionale inbedding en de betekenis die de actoren in deze systemen hebben voor de regio. Een dergelijke integrale benadering is ook betekenisvol wanneer in de nieuwe cultuurmonitor gekeken wordt naar hoe de actoren binnen de culturele netwerken zelf functioneren en wat dat betekent voor de ontwikkeling van de culturele arbeidsmarkt. 

Een monitoringsstrategie langs twee sporen

In de pilot van de cultuurmonitor hebben we op basis van gesprekken en literatuuronderzoek een strategie ontwikkeld waarmee ontwikkelingen in de arbeidsmarkt kunnen worden gemonitord. De strategie bestaat uit twee sporen die gevolgd worden om beter inzicht te krijgen in de arbeidsmarktpositie van verschillende actoren binnen een cultureel netwerk. Met deze strategie kunnen antwoorden gevonden worden op vragen naar bijvoorbeeld het trickle-down effect tussen verschillende schakels in de beeldende kunst. Hiermee hopen we bij te dragen aan de ontwikkeling van realistische mogelijkheden om de precaire arbeidsmarktpositie van makers te verbeteren.

Spoor 1: Een seriële benadering

Voor het eerste spoor worden indicatoren op het gebied van de arbeidsmarkt en beroepspraktijk individueel gevolgd en naast elkaar geplaatst. Hierbij is te denken aan indicatoren over werkgelegenheid en opleidingen, maar ook aan demografische gegevens die bijvoorbeeld inzicht geven in bevolkingssamenstelling of ontwikkelingen in landelijke gebieden versus stedelijke gebieden. 

Bij de Cultuurindex Nederland is op deze seriële manier vanuit een groepering van indicatoren over werkgelegenheid voor verschillende delen van de sector een inschatting gemaakt van overkoepelende ontwikkelingen op dit vlak. Onze wens is om een beter beeld te geven van hoe de verschillende deelsectoren hun arbeidsmarkt hebben georganiseerd voor zzp’ers, maar ook de andere werkenden in de sector. Daarbij wordt ook een kwalitatieve aanpak gehanteerd door bestaande afspraken tussen actoren in beeld te brengen, bijvoorbeeld op het gebied van honoraria en cao’s.

Spoor 2: Een relationele benadering

Het geïsoleerd volgen van de indicatoren in het eerste spoor biedt inzichten in ontwikkelingen op de lange termijn. Het biedt echter nog weinig houvast bij het inschatten van de invloed van onderlinge belangen, afhankelijkheden en machtsposities binnen een netwerk. Het tweede spoor is een extra laag in de monitoringsstrategie waarmee deze dynamiek onderzocht kan worden. Hoe beïnvloeden ontwikkelingen in de ene indicator bijvoorbeeld de ontwikkelingen in een andere indicator? We hebben voor de pilot van de cultuurmonitor gewerkt aan een methode waarmee per deelsector de onderlinge dynamiek zichtbaar kan worden gemaakt.

Voordat we de twee sporen operationaliseren aan de hand van respectievelijk de letterensector en de beeldende kunst, lichten we het belang van een vertrekpunt vanuit de maker toe met een afgebakend voorbeeld.

Voorbeeld uit de popsector

Voor inzicht in de arbeidsmarktpositie van makers in de popsector, moet onder andere gekeken worden naar de samenstelling van hun inkomsten. In onderzoek werd geïnventariseerd wat een gemiddelde popmuzikant in 2015 verdiende (Fuhr 2016). De samenstelling van het inkomen van een gemiddelde popmuzikant werd als volgt omschreven:

Zo’n momentopname is waardevol, maar geeft pas echt inzicht wanneer deze periodiek wordt herhaald. Dit zal gegevens opleveren zoals omschreven in ons eerste spoor, eventueel al deels gecontextualiseerd met het netwerk van de popsector. Voor het tweede spoor zou het waardevol zijn om deze gegevens te combineren met een meer diepgravende analyse van de onderlinge invloed van verschillende actoren binnen dit netwerk, waarbij rekening wordt gehouden met verschuivingen binnen het netwerk. 

Bij de omzet van de gehele muziekindustrie in Nederland valt bijvoorbeeld op dat het relatieve belang van verschillende geldstromen verschuift. Dit gaat veelal buiten de invloed van muzikanten om, maar heeft invloed op hun arbeidsmarktpositie. Het groeiende belang van streaming toont duidelijk dat de positie van muzikanten verzwakt als er geen duidelijke afspraken worden gemaakt over de verdeling van streaming inkomsten. In zijn recente advies Onderweg naar overmorgen wijst de Raad voor Cultuur in het licht van de coronacrisis ook op dit punt als een van de vijf transitieopgaven voor de culturele sector: ‘Voor kunstenaars en artiesten die zowel digitaal als live werken (zoals muzikanten) is het van belang een betere verhouding te vinden tussen inkomsten uit optredens en inkomsten uit rechten, streaming en verkoop’ (Raad voor Cultuur 2020, 3).

Deze monitoringsstrategie is voor de pilot voorlopig uitgewerkt als test voor (delen van) de letterensector en de beeldende kunst, met de maker als vertrekpunt. Vanuit een seriële benadering (spoor 1) is een (gedeeltelijke) netwerkschets van de letterensector gemaakt, waarmee de verhoudingen binnen deze keten worden gereproduceerd. Vervolgens wordt een eerste aanzet gedaan om deze context te combineren met indicatoren op het gebied van geldstromen. Vanuit een relationele benadering (spoor 2) is gekeken welke informatie nodig is om de effecten van de richtlijn kunstenaarshonoraria te monitoren. Daarbij wordt ingegaan op het belang dat enkele partijen in het netwerk hebben en welk effect dit heeft op de interne dynamiek binnen de sector.

Spoor 1: Netwerkschets van de letterensector

Naast auteurs en vertalers kent de letterensector in hoofdlijnen twee andere belangrijke schakels: uitgevers en boekverkopers. Een gedeelte van het netwerk van de letterensector en in het specifiek de boekensector kan langs deze drie schakels in beeld worden gebracht, waarbij de relaties en afspraken tussen de verschillende actoren centraal staan. In plaats van deze schakels geïsoleerd te benaderen, kunnen op deze manier de onderlinge (machts)verhoudingen en daarmee bijvoorbeeld de arbeidsmarktpositie van de maker inzichtelijker worden gemaakt.

In 2019 waren er in totaal 20.900 makers werkzaam in de letterensector, waarvan 18.100 auteurs en 2.800 vertalers (KVB Boekwerk 2020). De collectieve belangen van makers worden vertegenwoordigd door de Auteursbond. Ook overlegt de Auteursbond met andere brancheorganisaties zoals de Groep Algemene Uitgevers (GAU) bij het vaststellen van het minimum vertaaltarief en het opstellen van modelcontracten voor makers en uitgevers. Een belangrijk voorbeeld is het Modelcontract voor de uitgave van oorspronkelijk Nederlandstalig literair werk, waarmee ook de royalty’s en de vergoedingen via auteursrechtenorganisaties zoals Stichting Reprorecht en Stichting Lira worden vastgelegd (De Auteursbond 2020). 

Uitgevers zijn de verbindende schakel tussen makers en boekverkopers. De GAU behartigt de belangen van de Nederlandse boekenuitgevers. De arbeidsvoorwaarden binnen de uitgeversbranche zijn vastgelegd in de cao voor het Uitgeverijbedrijf, die wordt afgesloten door de Werkgeversvereniging Uitgeverijbedrijf (WU). Uitgevers worden ook vertegenwoordigd door de Koninklijke Vereniging van het Boekenvak (KVB), de koepelorganisatie van de boekensector die de gezamenlijke belangen van uitgevers en boekverkopers behartigt. De Koninklijke Boekverkopersbond (KBb) – de brancheorganisatie van Nederlandse boekverkopers die ook de cao van Boek- en Kantoorvakhandel afsluit – is een van de twee leden van de KVB, naast de Coöperative Vereniging van Boekenuitgevers Groepen U.A. (waarmee onder andere de GAU wordt vertegenwoordigd). Daarnaast is een belangrijke financiële afspraak tussen de twee schakels vastgelegd in de Wet op de vaste boekenprijs, waardoor uitgevers vaststellen voor welke prijs een boek verkocht mag worden. 

Hoewel gedeeltelijk en daarmee onvolledig – naast de bibliotheeksector zijn bijvoorbeeld ook het Letterenfonds en andere belangrijke actoren niet meegenomen – geeft deze netwerkschets inzicht in welke actoren doorheen de tijd gevolgd moeten worden om het netwerk vanuit een seriële benadering te reproduceren. Een volgende stap hierbij zou het uitwerken van een schematische visualisatie kunnen zijn, met daarin de verschillende schakels, actoren, relaties en afspraken. Vervolgens kunnen de actoren voorzien worden van kwantitatieve gegevens vanuit eenzelfde benadering, om zo de verschillende data met elkaar te verknopen.

Als voorbeeld zijn hieronder geldstromen van omzet, toegevoegde waarde en arbeidsinkomen van de drie uitgelichte schakels samengebracht, gebaseerd op recent onderzoek naar het economisch belang van het boekenvak (Hof et al. 2019). Hierbij is te zien in welke mate deze verschillende geldstromen zijn verdeeld over de schakels, waarmee een helder beeld ontstaat van de onderlinge financiële verhoudingen.

Door deze combinatie van schakels en indicatoren wordt duidelijk dat de makers op deze drie punten het kleinste onderdeel vormen. De vraag is daarbij hoe zich dit doorheen de tijd heeft ontwikkeld, wat dit betekent voor de zeggenschap die de makers in het netwerk hebben en of hierover afspraken zijn vastgelegd, waarbij de netwerkschets als startpunt kan worden gebruikt. Voor het monitoren van zulke verschuivingen binnen een netwerk is het daarom nodig om te zien hoe verhoudingen tussen de actoren zich ontwikkelen. Met een relationele benadering wordt aan de hand van beeldende kunst deze volgende stap gezet.

Spoor 2: Dynamiek in de beeldende kunst

Hoewel we geen goed beeld hebben van de samenstelling van de inkomens van beeldend kunstenaars, is duidelijk dat hun arbeidspositie bijzonder precair is.

Voor een completer beeld is het enerzijds van belang om deze geldstroom inzichtelijker te maken: hoe zijn de inkomsten samengesteld, waar komen deze inkomsten vandaan en welke kosten worden er gemaakt? Anderzijds is het nodig om dit te koppelen aan het bredere netwerk waarin beeldend kunstenaars zich als schakel begeven. Het in kaart brengen van die dynamiek wordt in deze test gedaan aan de hand van de beschikbare data over geldstromen en werkgelegenheid. 

Beeldend kunstenaars blijken een interessante testcase omdat er weinig gegevens over hen bekend zijn. Behalve een overzicht van welke actoren met elkaar in contact komen en welke afspraken er bestaan, is het nodig om te weten wat de effecten hiervan zijn. Hiermee gaan we van de seriële aanpak in het eerste spoor, over naar de relationele aanpak uit het tweede spoor. 

Bij onderzoek naar de samenstelling van de inkomsten van beeldend kunstenaars, ligt een grote nadruk op de ontvangen honoraria (Teesink et al. 2014, Boonzaaijer et al. 2015). Om te zorgen dat hiermee een eerlijk inkomen te verdienen is, werd in 2017 de richtlijn kunstenaarshonoraria gelanceerd. Het streven daarbij is dat kunstenaars 67 procent van een minimum inkomen kunnen verdienen met honoria, wat verder wordt aangevuld met de verkoop van werk (Vinken et al. 2019). Van de zzp’ers in de kunsten verkopen beeldend kunstenaars dan ook het vaakst producten en het minst hun arbeid (CBS 2017). Beschikbare gegevens laten alleen niet zien welk aandeel deze verkopen innemen in het totale inkomen. Wel blijkt dat makers die uitsluitend als beeldend kunstenaar werken, nog minder verdienen dan degenen die ook ander werk doen (Vinken et al. 2019).

Dat er meer inkomsten uit honoraria nodig zijn, wordt bovendien onderstreept door de teruglopende budgetten voor werkbijdragen vanuit het Mondriaan Fonds (en voorloper Mondriaan Stichting): van 86 miljoen euro in de periode 2001-2004 naar 35 miljoen euro in de periode 2013-2016. Ook inkomsten uit opdrachten liepen terug, van 7 miljoen euro in 2001-2004 naar 1,4 miljoen euro in 2013-2016 (Vinken et al. 2019).

Organisaties in het netwerk

Voor het verlenen van honoraria zijn opdrachtgevers zoals musea nodig. Musea voor beeldende kunst zijn een sterke schakel in dit netwerk waarover relatief veel informatie te vinden is. Om een beeld te krijgen van de mogelijke toepassing van de richtlijn kunstenaarshonoraria – en de zekerheid die deze musea andere professionals in de sector geven – is een eerste optie om naar cijfers over werkgelegenheid te kijken.

De inzet van zzp’ers is echter beperkt terug te zien, laat staan dat het mogelijk is om te zien in welke mate kunstenaars werk hebben vanuit de musea. Worden zzp’ers en kunstenaars betaald voor werk dat zij rondom een tentoonstelling verrichten, dan is de kans bijvoorbeeld groot dat zij binnen het projectbudget van deze tentoonstellingen blijven en niet in de werkgelegenheidscijfers te zien zijn. Dit geldt gedeeltelijk ook voor cijfers over werkgelegenheid bij een andere schakel: presentatie-instellingen. Recent onderzoek geeft een duidelijk beeld van het aandeel zzp’ers, maar van uren en vergoedingen voor kunstenaars wordt geen informatie gegeven (Wolters et al. 2019). Dit zou te verklaren kunnen zijn doordat bij presentatie-instellingen relatief vaak een vast bedrag als honorarium wordt gehanteerd, waarbij het niet duidelijk is hoeveel uren aan werk hiermee gemoeid zijn.

Inkomsten zeggen meer in combinatie met kosten

Uit een onderzoek van Berenschot blijkt dat zo’n twee derde van de gemeentelijke bestedingen aan beeldende kunst en vormgeving naar beeldende kunstmusea gaat. Ook lijken gemeenten in toenemende mate te investeren in presentatie-instellingen, ateliers en broedplaatsen (Vinkenburg et al. 2018). Op zichzelf bekeken is dat goed nieuws. Het grootste deel van de Nederlandse presentatie-instellingen is namelijk afhankelijk van gemeentelijke financiering. 

Tegelijkertijd zijn er ook geluiden dat de huurkosten voor ateliers en broedplaatsen in toenemende mate te hoog worden voor beeldend kunstenaars (zie bijvoorbeeld Dijksterhuis 2020, Platform BK 2020, Pol 2020). Naast een beter beeld van de inkomsten, is het dan ook van belang om een beter beeld te krijgen van de gemaakte kosten. Ook is het de vraag welke afspraken worden gemaakt bij investeringen in ateliers en broedplaatsen. Als zowel bijdragen vanuit de gemeenten als de huurprijzen stijgen, zullen de extra gelden ergens anders aan besteed zijn.

Wanneer de inzet is om de inkomens van beeldend kunstenaars te versterken met de richtlijn kunstenaarshonoraria, is een beter begrip nodig van de mate waarin organisaties dit kunnen financieren. Ook hierin lijkt voor gemeenten een rol weggelegd. Om pijnpunten te signaleren, zijn gegevens nodig die niet alleen ingaan op gemeentelijke bestedingen aan beeldende kunst. Welke opbrengsten halen gemeenten bijvoorbeeld uit maatschappelijk vastgoed dat binnen de beeldende kunst wordt gebruikt? En hoe verhoudt dit zich tot uitgekeerde subsidies? Inzicht in afspraken rondom eerlijke betaling als vereiste voor subsidie wordt ook gemist. Wat zijn daarbij de plannen voor de lange termijn en wie monitort de effecten? Als dit een verantwoordelijkheid van het gehele netwerk van beeldende kunst is, is de gemeente daar wellicht beter toe uitgerust dan de instellingen waarin al veel onbetaald wordt overgewerkt (Wolters et al. 2019).

Conclusie en vervolgstappen

Door te werken vanuit een netwerkschets dwingen we onszelf gebruik te maken van een integrale benadering van delen van de sector. Hiermee hopen we beter inzichtelijk te maken hoe ontwikkelingen in de arbeidsmarkt – en in het bijzonder de positie van makers – worden beïnvloed door onderlinge (arbeids)relaties en geldstromen. In de letterensector is bijvoorbeeld bij de branche- en belangenorganisaties een sterke relatie tussen de schakels uitgevers en verkopers te zien, waarbij met de Wet op de vaste boekenprijs zelfs wettelijk afspraken zijn vastgelegd. De vraag is daarbij wat dit betekent voor de zeggenschap en arbeidsmarktpositie van makers. 

Doordat de beeldende kunst als netwerk is benaderd, is het gebrek aan gegevens over deze deelsector preciezer te lokaliseren. Hierdoor kunnen we met samenwerkingspartners de actoren binnen het netwerk (gemeenten, musea, presentatie-instellingen, galeries, kunstbeurzen) gericht om informatie vragen, en daarbij templates ontwikkelen die ook afstemming van de gegevens mogelijk maken. 

Om actueel zicht te krijgen op de positie van de makers is een betere informatie-infrastructuur nodig. In gesprekken met stakeholders in het veld bleek grote bereidwilligheid om mee te werken aan het uitwerken hiervan. In 2021 zullen we dan ook een proef opzetten met een panel van makers in de beeldende kunst waarmee op regelmatige basis gegevens over inkomsten en lasten opgehaald kunnen worden. 

Volgend jaar zullen we ook de indicatoren met betrekking tot verschillende sectoren verder afstemmen en uitwerken, en daarop aansluitend:

  • De database van de cultuurmonitor uitbreiden en aanvullen;
  • Bestaande afspraken binnen een sector kwalitatief monitoren, zoals honoraria en cao’s;
  • Een dataspecial publiceren over hoe de specifieke steunmaatregelen rond corona aan cultuur aansluiten op de beroepspraktijk binnen enkele deelgebieden van de sector.

Literatuur