thema

Cultuur in de regio

Het belang van regionale cultuurdata

Lokale overheden vormen een cruciale schakel in het cultuurbeleid. Gemeenten en in mindere mate provincies zijn immers verantwoordelijk voor verreweg het grootste deel van de culturele infrastructuur, en als bestuurslaag nemen zij dan ook verreweg het grootste deel van alle cultuurlasten in Nederland voor hun rekening. In 2019 bedroegen de uitgaven van gemeenten en provincies aan cultuur respectievelijk 1.921 miljoen en 348 miljoen euro, waar de Rijksoverheid in dit jaar 961 miljoen euro aan cultuurlasten realiseerde (Holst et al. 2020, Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 2020a).

De afgelopen jaren is tevens de rol van ‘de regio’ in het nationale cultuurbeleid toegenomen. In 2017 constateerde de Raad voor Cultuur dat het cultuurbeleid (te) sterk nationaal georiënteerd was, subsidies ongelijk over het land verdeeld werden en vernieuwing uit de regio onvoldoende gefaciliteerd werd (Raad voor Cultuur 2017). Dit leidde ertoe dat geografische spreiding en regionale afstemming tot belangrijke uitgangspunten gemaakt werden in het cultuurbeleid vanaf 2021 (Engelshoven 2018). Om dit te bewerkstelligen nodigde de minister regio’s uit tot het vormen van ‘stedelijke cultuurregio’s’, die elk gevraagd werden een cultuurprofiel op te stellen als input voor het nieuwe cultuurbeleid. Uit deze regio’s kwamen vervolgens vijftien proeftuinen voort, waarin de cultuurregio’s met medefinanciering vanuit het Rijk samenwerken aan culturele vernieuwing. Bovendien kregen deze regio’s de gelegenheid om te reflecteren op aanvragen voor de culturele basisinfrastructuur (BIS) vanuit hun regio, en werd in de uitgangspunten voor deze BIS geografische spreiding ook als nadrukkelijk criterium opgenomen (Engelshoven 2019).

De toegenomen rol van de regio is niet alleen een ontwikkeling die in een landelijke cultuurmonitor gevolgd dient te worden, maar versterkt ook de vraag naar regionale cultuurdata die beleidsmakers in hun praktijk kunnen ondersteunen. In de nieuwe cultuurmonitor willen we dit faciliteren door niet alleen landelijke data op te nemen, maar waar mogelijk ook de mogelijkheid te bieden om op deze data geografisch in- en uit te zoomen. Daarbij zullen we de verbinding leggen met enkele bestaande regionale cultuurmonitoren en instrumenten als de Atlas voor gemeenten en de Regionale Cultuurindex (Boekmanstichting en Atlas voor gemeenten).[1]

In het pilotjaar 2020 zijn we begonnen met onderzoeken wat er moet gebeuren om in de nieuwe cultuurmonitor en achterliggende database regionale ontwikkelingen en data zo goed mogelijk mee te nemen, te analyseren en toegankelijk te maken. Allereerst hebben we gesprekken gevoerd met bestuurders en beleidsadviseurs van gemeenten en provincies om de precieze wensen en behoeften op het gebied van landelijke en regionale cultuurdata en -monitoring te inventariseren. Uit deze gesprekken bleek dat er een grote behoefte is om kerndata over bijvoorbeeld aanbod, participatie, geldstromen en het verenigingsleven op een snelle manier en op verschillende geografische schaalniveaus te kunnen vinden. Ook is het daarbij wenselijk als deze gegevens met andere regio’s vergeleken of gebenchmarkt kunnen worden. Tevens werd de wens geformuleerd voor meer inzicht in de (niet-)bezoeker, in de economische waarde van cultuur, in de werking en effecten van de nieuwgevormde stedelijke regio’s, en in spreidingspatronen van aanbod, bezoekers en geldstromen.

Ten tweede hebben we onderzocht hoe we de nieuwe landelijke cultuurmonitor zo goed mogelijk op deze behoeftes kunnen laten aansluiten. Een belangrijke constatering daarbij is dat niet álle gewenste data op elk geografisch schaalniveau ontsloten zal kunnen worden, en dat de cultuurmonitor ook geen evaluatie van de stedelijke regio’s of benchmarkingsinstrument biedt. Wel is het streven dat de monitor het mogelijk maakt data over regio’s op te vragen, inzicht biedt in spreidingspatronen en de betekenis hiervan, en – waar mogelijk – ook een bijdrage kan leveren aan de afstemming en vergelijkbaarheid van geografische gegevens. Hiertoe zijn er verschillende concrete stappen die we op het gebied van dataverzameling, -preparatie, -verrijking, -visualisatie, -ontsluiting en -analyse kunnen zetten. Aan de hand van dit stappenplan gaan we in 2021 onder meer in gesprek met dataleveranciers, kijken we naar relevante koppelingen met andere data, werken we de geografische visualisatiemogelijkheden op de website van de cultuurmonitor verder uit en onderzoeken we hoe de cultuurmonitor gebruikers op andere manieren kan helpen met het maken van eigen geografische analyses. Zo willen we regionale gegevens eind 2021 een stevige inbedding hebben gegeven in de eerste editie van de nieuwe cultuurmonitor.

Tot slot hebben we dit jaar reeds geëxperimenteerd met het ontsluiten van regionale cultuurdata op verschillende schaalniveaus, om meer zicht te krijgen op de verschillende praktische uitdagingen en vragen die daarbij komen kijken. Hoe koppel je bijvoorbeeld verschillende soorten data op een zinvolle manier aan elkaar? Zijn bestaande data al te ontsluiten op het (nieuwe) niveau van de stedelijke cultuurregio? Welke visualisaties zijn het meest geschikt? Deze experimenten hebben in samenwerking met A bit of a data agency geresulteerd in twee hieronder te lezen data stories, waarin de spreiding van rijkssubsidies aan de podiumkunsten in beeld wordt gebracht. In de eerste van deze data stories vergelijken we de aankomende subsidieperiode met de huidige periode, terwijl we in het tweede dataverhaal deze subsidiedata met behulp van andere data in een bredere context plaatsen.

Demonstratie

Aanleiding

Toen het Fonds Podiumkunsten (FPK) in augustus 2020 zijn toekenningen voor meerjarige productiesubsidies bekendmaakte, ontstond buiten de Randstad een storm van kritiek. Ondanks het feit dat de regio in de aanloop naar de nieuwe subsidieperiode zo in de belangstelling had gestaan, zou liefst 81 procent van de FPK-subsidies terecht gaan komen in één van de vier grote steden, terwijl bijvoorbeeld naar landsdeel Oost helemaal geen geld zou gaan (Fonds Podiumkunsten 2020a). Boze reacties, Kamervragen, reconstructies in kranten en een opiniestuk ondertekend door de gedeputeerden voor cultuur van negen van de twaalf provincies waren onder meer het gevolg.[2]

Wat echter opviel in deze discussie, was hoe weinig deze gevoed werd door data. In veel commentaren werd uitsluitend naar de verdeling van meerjarige productiesubsidies van het FPK in de aankomende subsidieperiode 2021-2024 gekeken. Voor een volledig beeld is het echter van belang om hierbij ook andere data te betrekken. Zo zijn cijfers over de spreiding van aanvragen en meerjarige festivalsubsidies, over geografische spreiding in de huidige subsidieperiode en eventueel ook over de spreiding van aanbod en participatie in de podiumkunsten eveneens relevant. Tevens kunnen de FPK-subsidies in de komende subsidieperiode niet los gezien worden van de verdeling van podiumkunstsubsidies via de BIS. Een deel van het budget van het Fonds Podiumkunsten werd namelijk hiernaar overgeheveld – volgens het Fonds mede om daarmee meer spreiding te bewerkstelligen (Fonds Podiumkunsten 2020c).

Om deze reden is besloten deze casus te gebruiken om te experimenteren met het ontsluiten en koppelen van data op verschillende geografische en bestuurlijke niveaus. Het doel van de demo is te onderzoeken hoe de nieuwe landelijke cultuurmonitor door de ontsluiting van regionale cultuurdata in de toekomst een bijdrage kan leveren aan het beantwoorden van vergelijkbare en andere vraagstukken.

Hiermee bieden we nadrukkelijk geen volledige analyse van spreiding van podiumkunstensubsidies – daarvoor ontbreken in dit stadium bijvoorbeeld cijfers over andere subsidieverleners en geldstromen. Ook maken we geen onderscheid tussen producerende instellingen en festivals, waardoor bijvoorbeeld een toename in landelijke spreiding van festivalsubsidies door de nieuwe festivalregeling van het Fonds Podiumkunsten buiten beeld blijft (Fonds Podiumkunsten 2020b).

Verantwoording

Voor deze demo ontvingen we van het Fonds Podiumkunsten data met daarin alle aanvragen en honoreringen van meerjarige project- en festivalsubsidies in de periodes 2017-2020 en 2021-2024. Belangrijk is dat hierin ook de 15 miljoen euro verwerkt zijn waarmee minister Van Engelshoven op Prinsjesdag 2020 het budget van het fonds verhoogde, waardoor de spreiding van subsidies over Nederland mogelijk een ander beeld vertoont dan in de oorspronkelijke subsidiebesluiten (Fonds Podiumkunsten 2020d).

Van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ontvingen we vergelijkbare gegevens voor de BIS.[3] Hierbij geldt dat ook de gereserveerde subsidiebedragen van instellingen met een ‘ja, mits’-advies of een ‘nee-tenzij’-advies als gehonoreerd bedrag zijn meegeteld – al moet de Raad van Cultuur over de aangepaste plannen van deze instellingen nog een advies uitbrengen (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 2020b). Daarentegen zijn de subsidies voor Eurosonic Noorderslag, het Scapino Ballet en Frascati – die aanvankelijk geen subsidie zouden ontvangen maar deze later alsnog kregen toegezegd –  nog niet meegerekend.

Voor deze demonstratie moesten de verschillende databestanden die we ontvingen aan elkaar gekoppeld worden. Daarbij zijn de volgende keuzes gemaakt en bewerkingen uitgevoerd:

  • Ontbrekende informatie – bijvoorbeeld over de discipline waarin een instelling actief is – is op de eerste plaats geprobeerd in te vullen door verschillende datasets met elkaar te vergelijken. Een instelling die in 2017-2020 subsidie kreeg, zit bijvoorbeeld vrijwel altijd ook in de data over 2021-2024. Wanneer dit niet mogelijk was, is informatie met behulp van websites van het FPK, de Raad voor Cultuur of de instelling zelf aangevuld.
  • In enkele gevallen moest handmatig worden beoordeeld of een instelling onder de podiumkunsten gerekend kon worden. Subsidies voor instellingen die veel verschillende kunstdisciplines in hun werk combineren zonder hierbij nadruk op de podiumkunsten te leggen, zijn niet meegerekend als podiumkunstensubsidie.
  • Bij de spreiding van festivalsubsidies is gekeken naar de locatie waar het festival plaatsvindt, in plaats van de locatie waar de aanvragende instelling statutair gevestigd is.
  • Data over festivalsubsidies per editie zijn omgerekend naar het subsidiebedrag per jaar, rekening houdend met de frequentie waarin het festival plaatsvindt.
  • Bij alle data is gekeken naar het bedrag dat oorspronkelijk aan het begin van de subsidieperiode werd toegekend. Latere prijsindexeringen zijn niet meegenomen.
  • Alle plaatsnamen in de data zijn gekoppeld aan de bijbehorende gemeente, provincie en (indien van toepassing) stedelijke cultuurregio.

Data story 1: Spreiding van rijkssubsidies voor podiumkunsten in 2017-2020 en 2021-2024

In 2017-2020 ontvingen 188 podiumkunstinstellingen en -festivals in totaal 167,9 miljoen euro meerjarige subsidie vanuit de BIS of het Fonds Podiumkunsten. Duidelijk is daarbij dat het FPK relatief veel instellingen steunt, terwijl vanuit de BIS de grootste bedragen verstrekt worden. 78,2 procent van de 188 instellingen kreeg subsidie vanuit het Fonds Podiumkunsten, terwijl het aandeel van deze instellingen in het totale subsidiebedrag 23,6 procent bedroeg.

Voor 2021-2024 is 198,7 miljoen euro beschikbaar, die verdeeld wordt over 279 instellingen. Daarin neemt het aandeel van de BIS iets toe, waardoor het aandeel van het Fonds Podiumkunsten in het aantal gesubsidieerde instellingen en het totale subsidiebedrag licht daalt naar respectievelijk 76,7 en 21,3 procent.

Het grootste deel van het totale subsidiebedrag gaat naar de provincies Noord- en Zuid-Holland: in 2017-2020 64,5 procent. In 2021-2024 blijft deze verdeling nagenoeg gelijk, en ontvangen beide provincies 63,2 van de rijkssubsidie voor podiumkunsten. Ook de meeste andere provincies houden een nagenoeg gelijk aandeel, al daalt het aandeel van Gelderland van 8,6 naar 4,1 procent. In Overijssel stijgt dit daarentegen van 3,1 naar 6,7 procent.

Als we niet naar het subsidiebedrag kijken, maar naar het aantal instellingen dat subsidie ontvangt, dan blijkt het aandeel van Noord- en Zuid-Holland in 2017-2020 met 56,9 procent iets kleiner te zijn. Evenwel geldt ook hier dat het aandeel van elke provincie in 2021-2024 vrijwel gelijk blijft. Alleen in Overijssel bedraagt het verschil tussen 2017-2020 en 2021-2024 meer dan een procentpunt (en daalt dit van 3,2 procent naar 1,8 procent).

Op een kleiner geografisch schaalniveau is in de aankomende subsidieperiode wel een toename in spreiding zichtbaar. Waar in de periode 2017-2020 namelijk 32 gemeenten binnen de gemeentengrenzen ten minste één instelling of festival hebben die rijkssubsidie ontvangt, gaan dit er in de aankomende subsidieperiode 44 zijn.

In onderstaande figuur is de spreiding van rijkssubsidies voor de podiumkunsten ook in beeld gebracht op het niveau van de nieuwgevormde stedelijke cultuurregio’s. Wat gelijk opvalt, is dat aanzienlijke delen van Nederland niet binnen één van deze cultuurregio’s vallen. Een vergelijking met bovenstaande gemeentekaart laat daarnaast zien dat in deze gebieden zich ook nauwelijks rijksgesubsidieerde podiumkunsteninstellingen bevinden. Zowel in 2017-2020 als in 2021-2024 komt ruim 99 procent van het totale subsidiebedrag terecht bij instellingen die binnen de grens van een bestaande cultuurregio gevestigd zijn.

Tevens brengt deze kaart goed in beeld hoe verschillend de stedelijke cultuurregio’s zijn qua omvang en samenstelling. Sommige regio’s omvatten één of meerdere volledige provincies, terwijl andere uit enkele aaneengesloten of geografisch gescheiden gemeenten bestaan. Bij het vergelijken van regio’s dienen deze verschillen goed in acht te worden genomen.

Als we nog iets verder inzoomen naar de vier grote steden, dan blijkt dat binnen Noord- en Zuid-Holland subsidies vooral terechtkomen in Amsterdam. In 2017-2020 was 36,2 procent van alle rijksgesubsidieerde podiumkunstinstellingen en -festivals in Amsterdam gevestigd, en samen ontvingen zij 45,2 procent van het beschikbare subsidiebedrag. Rotterdam, Den Haag en Utrecht huisvestten samen 25,5 procent van de gesubsidieerde instellingen, en ontvingen 20,1 procent van het totale subsidiebedrag.

Net als op provinciaal niveau verandert de spreiding in de komende subsidieperiode op dit geografische schaalniveau nauwelijks. Hoewel er wat kleine verschuivingen zijn tussen de steden, behoudt de G4 een aandeel van 65,4 procent in de totale beschikbare subsidie en van 62,7 procent in het aantal gesubsidieerde instellingen.

Dat Noord- en Zuid-Holland, en daarbinnen specifiek de vier grote steden, de meeste subsidie ontvangen, hangt ook samen met het feit dat hier met afstand de meeste aanvragers gevestigd zijn. In 2017-2020 was de verhouding tussen aanvragen en honoreringen binnen en buiten de G4 bijna gelijk: van de aanvragen binnen de G4 werd 70,7 procent gehonoreerd, daarbuiten 69,9 procent.

In 2021-2024 vindt echter een verschuiving plaats. Over de gehele linie dienden er 2021-2024 méér organisaties een subsidieaanvraag in dan in 2017-2020, en moesten er ook meer organisaties worden teleurgesteld. Het aandeel van de aanvragen dat (over heel Nederland) gehonoreerd werd, daalde daardoor van 70,4 naar 66,9 procent. Afwijzingen waren echter relatief vaker aan instellingen buiten de G4 gericht. Binnen de G4 steeg het percentage gehonoreerde aanvragen namelijk juist van 70,7 procent naar 72,9 procent, terwijl het in de rest van Nederland afnam van 69,9 naar 58,8 procent. Ook wanneer wordt gekeken naar de verstrekte subsidiebedragen als percentage van de aangevraagde bedragen, blijken aanvragen van buiten de G4 relatief minder vaak gehonoreerd te zijn.

Samenvattend verandert zowel de verdeling van het aantal podiumkunsteninstellingen en -festivals met rijkssubsidie als van het totale beschikbare subsidiebedrag in 2021-2024 vrijwel alleen op gemeentelijk niveau. Tussen de provincies en tussen de G4 en de rest van Nederland blijft de verdeling van podiumkunstsubsidies nagenoeg gelijk aan de huidige subsidieperiode. Kijkend naar het aantal aanvragen was enige verschuiving vanuit de G4 naar de rest van Nederland echter te verwachten geweest, aangezien het aantal aanvragen uit de rest van Nederland relatief harder steeg dan het aantal instellingen dat uiteindelijk subsidie kreeg toegezegd.

Data story 2: Subsidiedata in een bredere context

In het voorgaande hebben we onderzocht hoe de spreiding van rijkssubsidies voor de podiumkunsten in de aankomende beleidsperiode (2021-2024) verandert ten opzichte van de huidige periode (2017-2020). Daarbij hebben we uitsluitend data gebruikt over aangevraagde en verstrekte subsidies, waaruit het beeld naar voren komt dat verreweg het grootste deel van alle subsidies terechtkomt in Noord- en Zuid-Holland, en in het bijzonder in de vier grote steden.

In deze tweede data story plaatsen we deze gegevens in een bredere context. Hoewel subsidiedata volstaan om feitelijke uitspraken over spreiding te doen, zijn namelijk aanvullende gegevens om ook evaluerende uitspraken te kunnen doen. De spreiding van subsidiegeld hangt onder meer ook samen met de spreiding van de bevolking, met het aantal voorstellingen en het aantal bezoeken dat in een regio plaatsvindt, en mogelijk ook met andere geldstromen. In deze data story laten we zien welk beeld ontstaat als we de subsidiedata van het FPK en de BIS afzetten tegen dergelijke gegevens, en wat dit oplevert in het gesprek over spreiding.

De subsidiedata die we in deze data story gebruiken, hebben betrekking op de periode 2017-2020, en alle andere data op 2017. De subsidiedata over 2021-2024 laten we hier buiten beschouwing, omdat we nog geen gelijktijdige data hebben waartegen we deze af kunnen zetten.

Aantal inwoners

In onderstaande visualisatie zetten we het verstrekte subsidiebedrag per provincie af tegen het aantal inwoners. Hierdoor ontstaat een iets gelijkmatigere verdeling over het land dan wanneer enkel naar subsidiedata gekeken wordt. Zo ontvingen Noord- en Zuid-Holland in 2017 respectievelijk 48,1 en 16,5 procent van alle rijkssubsidies voor de podiumkunsten. Wanneer alle subsidiebedragen echter gedeeld worden door het aantal inwoners, dalen deze aandelen naar 31,6 en 8,3 procent. Op basis van zijn inwoneraantal ontving Noord-Holland dus een bovengemiddeld groot deel van het beschikbare subsidiebedrag, en datzelfde geldt voor Groningen met 20,2 procent.

Op de tweede kaart van de visualisatie is het subsidiebedrag ten opzichte van het aantal inwoners ook per gemeente te zien. Niet verrassend is dat Amsterdam een relatief groot bedrag ontving, maar ook Arnhem (€85.895 per 1.000 inwoners), Vlieland (€115.207 per 1.000 inwoners) en Terschelling (€115.207 per 1.000 inwoners) vallen op. Voor de twee Waddeneilanden is dit echter gemakkelijk te verklaren, omdat ze weinig inwoners tellen, maar met Into the Great Wide Open en Oerol wel twee grote festivals huisvesten.

Lokale cultuursubsidies

Het Rijk is niet de enige overheidslaag die subsidie verstrekt aan podiumkunstenorganisaties – ook provincies en gemeenten doen dit. Het is interessant om ook naar deze subsidies te kijken, om te zien of lokale en nationale subsidies elkaar mogelijk aanvullen. Daarbij dient echter wel te worden opgemerkt dat deze subsidies slechts in beperkte mate vergelijkbaar zijn. Zo gaat de subsidie vanuit het FPK en de BIS vooral naar makers, terwijl gemeenten bijvoorbeeld ook subsidie aan podia verstrekken.

De data over lokale subsidies ontlenen we aan de Detaillering cultuurlasten gemeenten en provincies van het CBS (CBS 2020). Dit onderzoek laat zien dat alle gemeenten in 2017 samen 516,5 miljoen euro subsidie aan de podiumkunsten verstrekten, en de twaalf provincies samen 26,4 miljoen euro. In de eerste figuur van onderstaande visualisatie zijn deze bedragen samengenomen, en is per provincie te zien hoeveel subsidie gemeenten en de provincie zelf hier aan de podiumkunsten verstrekten.

In de tweede figuur zijn deze bedragen afgezet tegen het aantal inwoners per provincie. Hieruit blijkt dat het bedrag dat lokale overheden per inwoner aan de podiumkunsten uitgeven, in vrijwel alle provincies in een gelijke orde van grootte ligt – met uitzondering van Zeeland en Groningen. Een duidelijk verband met de verdeling van rijkssubsidies is hierbij dan ook niet te zien.

Data over voorstellingen en bezoek

Voor het vaststellen van de spreiding van rijkssubsidies voor de podiumkunsten in de eerste data story van dit artikel, gingen we (behalve bij festivals) uit van de vestigingsplaats van gesubsidieerde instellingen. Veel gezelschappen spelen echter ook buiten hun eigen vestigingsplaats, waardoor subsidie aan deze gezelschappen ten goede komt aan een veel groter gebied dan enkel de eigen regio. Ter illustratie: 74 procent van de organisaties die in 2017 meerjarige productiesubsidie vanuit het FPK ontvingen was in één van de vier grote steden gevestigd, terwijl maar 33 procent van de voorgenomen speelbeurten hier gepland was (Fonds Podiumkunsten 2016).

Om een volledig beeld van de spreiding van subsidies te kunnen schetsen, zou je dan ook eigenlijk willen weten waar elke gesubsidieerde instelling precies speelt, en waar met elke euro subsidie dus aanbod mogelijk wordt gemaakt. Op het moment van schrijven hebben we deze data niet voor de instellingen die binnen de BIS en door het FPK ondersteund werden, maar wel is het mogelijk om te kijken naar hoe de rijkssubsidies zich tot het algehele aanbod en bezoek binnen de podiumkunsten verhouden. Hiervoor maken we gebruik van de CBS-statistiek Professionele podiumkunsten; capaciteit, voorstellingen, bezoekers, regio.

Een vergelijking met het aantal voorstellingen laat aanzienlijke verschillen in het land zien. Waar in Drenthe tegenover elke voorstelling die in 2017 plaatsvond 430 euro rijkssubsidie stond, ging het in Groningen om 6.634 euro subsidie per voorstelling. Tegelijkertijd zeggen deze cijfers vrij weinig, omdat niet bekend is welk deel van deze voorstellingen met rijksfinanciering tot stand is gekomen. Anders gezegd: deze cijfers over aanbod omvatten meer dan alleen het rijksgefinancierde aanbod, waardoor de vergelijkbaarheid met de subsidiedata beperkt is.

Een tweede vergelijking met het aantal bezoekers levert een vergelijkbaar beeld op – hetgeen wellicht niet verrassend is door de correlatie die er bestaat tussen aantallen voorstellingen en aantallen bezoekers. Ook in deze vergelijking ontvingen Zeeland en Drenthe relatief weinig rijkssubsidie per podiumkunstbezoeker (respectievelijk 2,71 en 2,02 euro), en kwam Groningen met 19,68 euro ruim boven het provinciale gemiddelde van 8,13 euro uit.

Afsluitend kunnen we stellen dat vooral een vergelijking met het aantal inwoners een waardevolle nuance kan zijn in het debat over spreiding, omdat deze een gelijkmatigere spreiding over het land laat zien dan zonder correctie voor deze gegevens. De spreiding van lokale subsidies lijkt al vrij gelijkmatig te zijn en redelijk los te staan van de spreiding van rijkssubsidies, waardoor deze gegevens in dit debat minder lijken toe te voegen. Een vergelijking met cijfers over aanbod en bezoek heeft die toegevoegde waarde wél, maar deze vereist dat de gegevens over de verstrekte subsidie, over het gerealiseerde aantal voorstellingen en over het aantal bezoekers van deze voorstellingen allemaal over hetzelfde aanbod gaan.

Noten

[1] Zie bijvoorbeeld de cultuurmonitoren die verschenen over Noord-Brabant (Broers et al. 2018 en 2020), Drenthe (Pul et al. 2019, Veenstra et al. 2020), Flevoland (Muller et al. 2018) en de stad Maastricht (Jong et al. 2019).

[2] Zie voor een uitgebreide reconstructie Burghoorn 2020, voor een tijdlijn van de aanloop naar de subsidiebesluiten Kunsten ‘92 (2020), voor de gestelde Kamervragen Geluk-Poortvliet et al. 2020 en voor de ingezonden brief van de negen gedeputeerden Rijsberman et al. 2020.

[3] Deze gegevens en de cijfers van het Fonds Podiumkunsten zijn ook openbaar online te vinden. Zie voor de gegevens van het Fonds Podiumkunsten de webpagina https://fondspodiumkunsten.nl/nl/toekenningen/meerjarige_subsidies/, voor de BIS-gegevens in 2017-2020 de website http://bis2017-2020.cultuur.nl/ en voor de BIS-gegevens in 2021-2024 de adviezen zoals gepubliceerd op https://www.raadvoorcultuur.nl/bis-2021-2024.

Gesprekspartners

Voor dit onderzoek hebben we tussen september en november 2020 gesprekken gevoerd met:

  • Els van den Berg, senior beleidsadviseur cultuur, provincie Groningen
  • Sietze Brandinga, senior beleidsadviseur cultuur, gemeente Leeuwarden
  • Jeroen Diepenmaat, wethouder Enschede
  • Michelle Jacobs, beleidsadviseur cultuur, gemeente Ede 
  • Michiel Rijsberman, gedeputeerde, provincie Flevoland 
  • Monique Schuttenbeld, wethouder, gemeente Zwolle 
  • Ab van de Wakker, beleidsadviseur cultuur, gemeente Den Bosch 
  • Marga Wobma, strategisch beleidsadviseur cultuur, gemeente Zwolle 
  • Joke Zaat, beleidsmedewerker cultuur, provincie Limburg 
  • Araf Ahmadali, programmaleider Kunst, Cultuur en Erfgoed, Metropoolregio Amsterdam (per mail)

Bronnen