Beroepspraktijk

Thema

Op de themapagina Beroepspraktijk zijn gegevens te vinden over de samenstelling van de culturele arbeidsmarkt. Wat weten we over zelfstandigen en wat over banen? Ook bekijken we verschillen tussen een benadering vanuit bedrijven en vanuit beroepen. De gevolgen van corona worden bekeken voor de groep als geheel en daarnaast worden verschillen bekeken per domein. We kijken naar inkomen en omzet, maar ook naar informatie over persoonskenmerken.

Inleiding en belang van het thema

Met corona in de achteruitkijkspiegel is er alle reden de impact ervan op de culturele en creatieve sector te analyseren. Het is daarbij van belang de positie van werkenden – werknemers én zzp’ers – in de sector niet alleen te benaderen vanuit het perspectief van de arbeidsmarkt, maar vooral ook vanuit de beroepspraktijk. Per domein zijn grote verschillen waarneembaar. Uit een veelheid van bronnen resulteert een integraal beeld van de ontwikkelingen in de culturele arbeidsmarkt.

Wat weten we momenteel over de status van de creatieve beroepspraktijk? De culturele arbeidsmarkt staat bekend als precair. In de uitgebreide verkenning Passie gewaardeerd uit 2017 staat al hoe penibel de positie van veel werkenden in de sector is. Sindsdien lanceerde Kunsten ’92 de arbeidsmarktagenda, is de Fair Practice Code opgesteld en is het versterken van de positie van de culturele en creatieve professional een van de vier hoofdonderwerpen is in de Meerjarenbrief van staatssecretaris Uslu. In deze thema-analyse geven we een beeld van enkele belangrijke ontwikkelingen.

Samenstelling culturele arbeidsmarkt en effecten corona

In de vorige editie van deze tekst werd al duidelijk dat spreken van de arbeidsmarkt binnen de culturele en creatieve sector als één geheel eigenlijk tekort schiet. De verhouding tussen het aantal banen voor werknemers en werk voor zelfstandigen wisselt per deel van de sector, net als de ontwikkeling van deze verhoudingen. Tegelijkertijd werd tijdens de coronacrisis duidelijk dat de verschillende praktijken van werkenden in de sector ook van grote invloed waren op hoe zij door de maatregelen werden getroffen.

Zelfstandigen

De laatste decennia bleef het aantal zelfstandigen in de Nederlandse arbeidsmarkt als geheel toenemen, tot een groei van 37 procent in 2021 ten opzichte van 2010. Voor de culturele en creatieve sector (CCS) gaat het in dezelfde periode om een toename van 61 procent. Deze toename wordt echter in sterke mate bepaald door de deelsector ‘Kunsten en cultureel erfgoed’ , waar de toename 75 procent betreft en bovendien het grootste deel van de zelfstandigen is te vinden (CBS 2023).

Voorgaande cijfers zijn gebaseerd op de bedrijfsindeling van de sector. Hierin is de sector opgebouwd uit bedrijven en de bijbehorende SBI-codes. Het is echter ook mogelijk om de sector te bekijken vanuit beroepsgroepen. Dit is door het CBS gedaan in de monitor Kunstenaars en werkenden in overige creatieve beroepen. Daarbij is te zien dat het vooral de kunstenaars zijn bij wie de groei in het aantal zzp’ers zit. Bij hen steeg het aantal zzp’ers tussen de periodes 2010-2012 en 2017-2019 met 24 procent, terwijl dit bij de overige creatieve beroepen slechts 5 procent was. Het aandeel zzp’ers binnen alle kunstenaars ligt in de gehele periode op 57 à 58 procent. Bij de overige creatieve beroepen liep dit percentage terug van ruim 35 procent in 2010-2012 naar ruim 32 procent in 2017-2019, bij de totale werkzame beroepsbevolking steeg het van een kleine 11 procent naar ruim 12 procent. Binnen deze bron wordt ook inzichtelijk hoeveel tijd per week de verschillende groepen besteden aan werken in hun zogeheten eerste werkkring; het beroep waaraan ze de meeste tijd besteden. Daarin is duidelijk dat de verdeling tussen parttime en fulltime werk bij kunstenaars vrijwel overeenkomt met het beeld van de gehele beroepsbevolking.

Zelfstandigen en banen voor werknemers

Deze figuren tonen de ontwikkeling van het aantal zelfstandigen en de hoeveelheid banen voor werknemers in zowel Nederland als geheel en voor de verschillende delen van de culturele en creatieve sector. Hierbij hanteren we binnen de culturele en creatieve sector (CCS) de deelsectoren Kunsten en cultureel erfgoed (KCE), Media en entertainment (M&E) en Creatieve zakelijke dienstverlening (KZD). De cijfers over het aantal zelfstandigen en banen zijn geïndexeerd (2010=100). De percentages zzp’ers is afkomstig uit de Enquête Beroepsbevolking (EBB) van het CBS.

Zelfstandigen
Het aantal banen voor werknemers volgens het CBS
%

Bron: CBS

Banen

Vanuit de indeling in bedrijven is ook te zien hoeveel banen de sector kent. En hoewel bij de zelfstandigen nog geen daling is te zien in 2020, is dit beeld bij de banen voor werknemers anders. Hierbij is in 2020 een duidelijke daling te zien, die het sterkst is in de deelsector ‘Kunsten en cultureel erfgoed’, waar overigens de stijging in 2021 ten opzichte van 2020 ook weer het sterkst is van alle delen van de sector. Wel is het van belang daarbij op te merken dat de omvang van de banen in deze deelsector consequent het laagst is. Per baan is er binnen zowel ‘Media en entertainment’ als ‘Creatieve zakelijke dienstverlening’ gemiddeld steeds rond de 0,83 fte beschikbaar, terwijl dit bij ‘Kunsten en cultureel erfgoed’ rond de 0,69 fte blijft steken (CBS 2023).

Hoeveel werkenden in 2020 hebben besloten te stoppen vanwege coronamaatregelen is in de cijfers niet goed te zien. We weten dat bij het grootste deel van de gesubsidieerde organisaties niet is bezuinigd op vaste contracten en in 2020 de kosten voor tijdelijke contracten met 29 procent zijn teruggebracht (Goudriaan et al. 2021). In 2021 ging het aantal banen voor werknemers echter weer omhoog. Het aantal zelfstandigen blijft gedurende de coronaperiode jaarlijks groeien. Wel is daarbij een verschil te zien tussen de verschillende deelsectoren. ‘Kunsten en cultureel erfgoed’ blijft de deelsector waar de meeste zelfstandigen werkzaam zijn, maar de stijging is hier na 2019 niet zo sterk meer. Bij ‘Creatieve zakelijke dienstverlening’ is de stijging in deze periode echter juist groot.

Nieuwkomers

Waar de gemiddelde omzet binnen de CCS al sterker daalde, gaat de mediane omzet nog harder naar beneden. Dat betekent dat de omzet van de helft van de zzp’ers harder is gedaald dan het gemiddelde. Ook hier kent de deelsector ‘Kunsten en cultureel erfgoed’ de sterkste daling. Zowel de gemiddelde als de mediane omzet in de CCS kent ook in het eerste kwartaal van 2021 een daling die sterker is dan voor een eerste kwartaal te verwachten was en in bedragen ook ruim onder de waarde van het eerste kwartaal van 2019 komt.

Een van de effecten van de sluitingen – evenals de beperkte openstelling – van cultuurlocaties tijdens corona, is de toegenomen druk op de capaciteit voor presentaties. Door coronabeperkingen beschikten bijvoorbeeld de podia die lid zijn van de VSCD in 2021 over slechts 28 procent van hun capaciteit (VSCD 2022). Hierdoor werden in de praktijk presentatiekansen voor reeds bekende kunstenaars of groepen groter dan voor nieuwkomers. Veilig programmeren leek dit effect alleen maar te versterken (Been et al 2022). Nieuwkomers lijken het dan ook moeilijk te hebben gehad. In een onderzoek van ROA van de Universiteit van Maastricht blijkt dan ook dat afgestudeerden van de sector Kunst zwaarder getroffen zijn dan andere jonge alumni (Allen et al. 2022). Voor dit onderzoek zijn drie metingen gedaan tijdens de coronapandemie: in mei 2020, tussen half december 2020 en februari 2021 en tussen 16 september en 17 november 2021.

Dit onderzoek richt zich op relatief recent afgestudeerden van een hbo-kunstopleiding. Naast het feit dat de groep als geheel relatief harder is getroffen dan alumni van andere hbo-opleidingen, blijkt dat binnen de kunstalumni vooral de werkenden in uitvoerende beroepen vaker werkloos zijn geworden. Vooral in de theaterrichting gaan de werkloosheidscijfers van een van de laagste waardes van alle kunstalumni voor corona (tussen de nul en vijf procent), naar de veruit hoogste waarde bij de eerste meting (tussen 35 en 40 procent). Naast toenemende werkloosheid is in 2020 voor theatermakers ook de grootste daling te zien in hun gemiddelde bruto maandloon, die in 2021 doorzet. Voor vrijwel alle andere groepen alumni is in 2021 juist een stijging in bruto maandloon te zien, behalve voor de erfgoed professionals waarbij een kleine daling te zien is. Opvallend daarbij is dat de muzikanten binnen kunstalumni de enige groep vormen die het gedaalde maandloon in 2020 hebben weten om te zetten in een stijging in 2021. Het bruto maandloon van de totale groep alumni van hbo- kunstopleidingen daalt in 2020 nauwelijks. Daarnaast is het aantal afgestudeerden van kunstvakopleidingen in 2020 ook sterker gedaald dan dat van alle studenten van hbo- opleidingen. Opvallend hierbij is de grote afname bij het totale aantal afgestudeerden in 2021, terwijl de daling hierin bij kunstvakopleidingen in hetzelfde jaar dan juist klein is.

Naast de ontwikkelingen bij kunstalumni is het echter goed breder te kijken naar wat we weten over het geld dat zzp’ers in de sector verdienen.

Alumni hbo-kunstopleidingen

Geïndexeerd (2014=100)
Geïndexeerd (2014=100)

ROA

Inkomsten en omzet

Noors onderzoek laat zien dat het inkomen dat Noorse kunstenaars uit hun artistieke werk halen, tussen 2019 en 2020 met 11 procent daalde (Askvik et al. 2022). Dit werd echter deels gecompenseerd door andere inkomsten, bijvoorbeeld uit andere werkzaamheden of overheidssteun. Hun totale inkomen daalde daardoor slechts met één procent.

Van de inkomens van Nederlandse kunstenaars is vanuit oudere onderzoeken bekend dat ook hier het inkomen uit artistiek werk gemiddeld de helft van het totale inkomen vormt (Loots et al. 2022). Verdere informatie over inkomsten van Nederlandse kunstenaars en andere werkenden met creatieve beroepen is net als de cijfers over de werkgelegenheid beschikbaar vanuit zowel beroepen als vanuit bedrijfsgegevens. De gegevens over het inkomen zijn voor Nederlandse kunstenaars niet heel actueel en bestrijken de periode 2017 tot en met 2019, waarover een gemiddelde bekend is. Deze gegevens tonen dat het mediane persoonlijk bruto jaarinkomen van kunstenaars onder dat van alle werkenden in Nederland ligt en ver onder dat van anderen die – in de definitie van het CBS – zeer complexe gespecialiseerde beroepen hebben waarvoor een hbo- of wo-opleiding vereist is. Voor zover de verschillende kunstenaarsberoepen zijn uit te splitsen in deze gegevens, is te zien dat de beeldende beroepen het laagste inkomen hebben en de ontwerpende het hoogste (CBS 2021).

Meer actuele gegevens over inkomsten publiceerde het CBS in de vorm van omzetcijfers van zelfstandigen per kwartaal voor de jaren 2019 tot en met 2021. De omzet van alle Nederlandse zzp’ers kent in 2019 de dynamiek waarin de omzet in het eerste kwartaal laag is, in het tweede hoger om in het derde kwartaal weer wat te zakken en in het vierde kwartaal de hoogste waarde van het jaar te halen. Dit is een beeld dat binnen de culturele en creatieve sector herkenbaar is. In 2020 valt dit beeld echter in duigen. In heel Nederland blijft de stijging in omzet van zzp’ers in het tweede kwartaal uit. Maar waar de hoogte van de gemiddelde omzet in Nederland als geheel stabiel blijft, daalt deze binnen de CCS in het tweede kwartaal sterk. De cijfers gaan vervolgens wel omhoog, maar het herstel is niet evenredig verdeeld. Terwijl de deelsector ‘Creatieve zakelijke dienstverlening’ in het vierde kwartaal van 2020 op een vergelijkbaar niveau zit als in hetzelfde kwartaal in 2019, blijft de deelsector ‘Kunsten en cultureel erfgoed’ in hetzelfde kwartaal steken op een gemiddelde omzet net onder het niveau van het eerste kwartaal 2019, dat het kwartaal was met de laagste omzet.

Inkomen en omzet

€ (in prijzen van 2019)
x 1.000 €
x 1.000 €

Omzet per domein

Loots en Witteloostuijn geven in hun publicatie over inkomens en het verdienvermogen van kunstenaars al aan dat de inkomstenbronnen van kunstenaars per sector verschillen (Loots et al. 2022). Dat verklaart ook waarom de omzet op verschillende wijzen beïnvloed kan worden door maatregelen zoals deze rondom de uitbraak van het coronavirus zijn genomen. De omzetcijfers zijn redelijk goed te groeperen naar verschillende domeinen. Daarbij is te zien dat voor de scheppende kunsten en de ontwerpende beroepen de gemiddelde en mediane omzet van zelfstandigen alleen in het tweede kwartaal enigszins negatief zijn beïnvloed. Bij de podiumkunsten is de daling echter aanzienlijk groter en is het niveau in het vierde kwartaal van 2021 nog altijd lager dan in hetzelfde kwartaal in 2019.

De omzet is bijvoorbeeld bij zzp’ers binnen de scheppende kunst (beeldend kunstenaars, schrijvers, choreografen, dichters, componisten etc.) en binnen architectuur en design nauwelijks negatief beïnvloed. Bij zzp’ers binnen de podiumkunsten is dit echter een heel ander verhaal, daar blijft de omzet laag gedurende de gehele periode dat er maatregelen gelden om de verspreiding van het coronavirus te voorkomen.

Omzet per domein

Deze figuren tonen de omzet van zzp’ers binnen vershcllende domeinen.

x 1.000 €
x 1.000 €
x 1.000 €

De muziekindustrie en de boekenindustrie ondervinden na het tweede kwartaal van 2020 weinig problemen in hun omzet, op een dip in het eerste kwartaal van 2021 na. Daarbij moet alleen wel worden opgemerkt dat de uitvoerend muzikanten en auteurs hierin niet zijn opgenomen. De muzikanten zijn onderdeel van de podiumkunstencijfers en de auteurs bij de scheppende kunsten. Manieren waarbij daarin is ingespeeld op de situatie hebben echter consequenties, zo is de boekverkoop weliswaar omhooggegaan, maar is het vooral de digitale verkoop die hiervan profiteerde. Boekwinkels die vooral draaien op fysieke omzet, werden juist zwaar getroffen waarbij ook de extra kosten die zij vanwege corona maakten in de omzetcijfers buiten beeld blijven (zie het domein Letteren).

Omzet per domein

Deze figuren tonen de omzet van zzp’ers binnen vershcllende domeinen.

x 1.000 €
x 1.000 €
x 1.000 €

Dit beeld sluit gedeeltelijk aan bij het beeld dat naar voren komt in een onderzoek naar de Nederlandse creatieve arbeidsmarkt waarbij de banen zijn verdeeld in verschillende cirkels. Deze cirkels zijn gebaseerd op een theorie van David Throsby waarin hij de sector opdeelt in vier cirkels, van een producerende kern in de binnenste cirkel tot de bredere creatieve industrie in de buitenste cirkel. Het onderzoek toont dat de inkomens in 2020 alleen in de eerste cirkel dalen. Bovendien dalen de gemiddelde inkomens alleen bij zelfstandigen en mensen met een tijdelijk contract (Been et al. 2022). Het beeld dat we vanuit de omzetcijfers naar voren brengen, voegt hieraan de nuance toe dat het vooral de uitvoerende makers in de eerste cirkel zijn waarbij inkomsten uit omzet naar beneden gaan. Overigens blijkt uit hetzelfde onderzoek ook dat er vooralsnog weinig uitstroom uit de sector is en dat er ook tussen de verschillende cirkels daarbinnen weinig verschuivingen te zien zijn.

Naast de dalende omzet in 2020, gaat ook de economische toegevoegde waarde van de CCS aanzienlijk harder naar beneden. Wederom is het de deelsector ‘Kunsten en cultureel erfgoed’ die het hardst getroffen is; de toegevoegde waarde daalt hier in 2020 met 60,8 procent tegenover een daling van gemiddeld 3,8 procent voor Nederland als geheel (Rutten et al. 2022). Dit wordt binnen de Monitor creatieve industrie geweten aan de sterke interne afhankelijkheid binnen de sector waar de terugval in omzet samenhangt met vraaguitval van collega’s (Ibid.).

Verschillende praktijken

Binnen de groepen werkenden is tijdens corona duidelijk geworden in welke mate de verschillende praktijken die in de verschillende domeinen bestaan, worden beïnvloed door de infrastructuur waarbinnen die praktijk vorm krijgt. Zeker wanneer een podium – in de brede zin van het woord – nodig was voor het uitvoeren van werkzaamheden speelde de ketenafhankelijkheid tijdens corona een rol. De daling in omzet bij podiumkunstenaars is op het eerste gezicht dan ook logisch gezien de sluiting van podia en de daarmee samenhangende daling van het aantal voorstellingen dat te zien was in deze jaren. Tegelijkertijd is het goed zich te realiseren dat de afhankelijkheid van de infrastructuur verder reikte dan de sluiting van podia en een alternatieve beroepspraktijk uitwerken niet zomaar ging. De vraag is daarbij welke mogelijkheden werkenden in de sector hebben om zich op de arbeidsmarkt te begeven en daarmee omzet te genereren.

In de sector als geheel wordt uit meerdere bronnen steeds weer duidelijk dat de culturele en creatieve sector een atypische marktwerking kent. Het aanbod is enorm divers, de waarde van het aanbod is vaak moeilijk te voorspellen, en het produceren van een product is voor velen minstens even waardevol als het product zelf (waardoor overproductie soms op de loer ligt). Bovendien geldt in grote delen van de sector dat slechts een kleine groep werkenden het grootste deel van de inkomsten binnenhaalt (Loots et al. 2022). Ook wordt duidelijk dat ondanks de lage inkomsten en een ‘overschot’ aan arbeidskrachten, weinig creatieven van beroep veranderen (zie onder andere Loots et al. 2022, Jong et al. 2021). Het voorgaande illustreert waarom het van belang is om de positie van werkenden in de sector niet (alleen) te benaderen vanuit een blik op de arbeidsmarkt, maar vooral ook de beroepspraktijk centraal te stellen. Hoe deze praktijk van invloed kan (of zou moeten) zijn op gebruikte arbeidsvoorwaarden wordt momenteel al door Platform ACCT verkend binnen het programma fairPACCT. Maar er zijn meer manieren waarop dit perspectief van toegevoegde waarde kan zijn.

Arbeidsduur mannen en vrouwen

Deze figuren geven aan hoeveel uur per week mannen en vrouwen werken in Nederland als geheel, bij alle creatieve beroepen samen en bij de uitvoerend kunstenaars.

n x 1.000
n x 1.000
n x 1.000

CBS

Vanuit de verschillende praktijken binnen de culturele en creatieve sector is ook beter zicht te krijgen op bredere kenmerken van de verschillende domeinen. Zo kent de culturele en creatieve sector net als de rest van Nederland een verschil in genderverdeling waar het werktijd betreft. Waar vrouwen in de deeltijdbanen zijn oververtegenwoordigd, zijn mannen dit overduidelijk bij voltijdsbanen. Hoewel dit verschil minder groot is dan bij de Nederlandse arbeidsmarkt als geheel, zit er verschil tussen de beroepsgroepen. Bij grafisch ontwerpers en bij uitvoerend kunstenaars komt het beeld bijvoorbeeld ongeveer overeen met de sector als geheel, met iets meer dan 60 procent mannen bij de voltijdsbanen. Bij beeldende kunst hebben echter vrouwen met zo’n 55 procent de meerderheid bij voltijdsbanen, terwijl in de architectuur ruim 75 procent van de voltijdsbanen door mannen wordt bezet. De kans dat alleen marktwerking een rol speelt bij deze verschillen is klein. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat, hoewel bij afgestudeerden aan hbo-kunstvakopleidingen het aandeel vrouwen hoger ligt dan bij het totaal aan afgestudeerden binnen het hbo, onder kunstenaars relatief veel mannen werkzaam zijn (CBS 2021).

Arbeidsduur mannen en vrouwen

Deze figuren geven aan hoeveel uur per week mannen en vrouwen werken bij grafisch vormgevers, architecten en beeldend kunstenaars.

n x 1.000
n x 1.000
n x 1.000

CBS

Een vergelijkbaar verschil tussen aantallen afgestudeerden en de werkende kunstenaars is te zien bij mensen die worden gezien als personen met een migratieachtergrond. Hoewel het aandeel personen met een migratieachtergrond onder afgestudeerden van hbo-kunstvakopleidingen sterker toeneemt dan bij de totale groep afgestudeerden van hbo-opleidingen, komt dit beeld maar zeer beperkt terug wanneer we kijken naar de werkenden in de sector. Deze informatie is bekend vanuit de indeling in beroepen. Daar is te zien dat er onder kunstenaars door de jaren heen weliswaar steeds meer werkenden met een migratieachtergrond zijn, maar dit aandeel komt niet in de buurt van de verhoudingen bij afgestudeerden. Hierover zijn echter geen cijfers per domein beschikbaar.

Alumni en afgestudeerden hbo-opleidingen

Deze figuren het percentage alumni met een migratieachtergrond en het percentage vrouwen bij afgestudeerden aan alle voltijds hbo-opleidingen en de hbo kunstopleidingen (KUO).

%
%

Doorontwikkeling

Beter inzicht in de verschillende praktijken die de verschillende domeinen kenmerken, maakt het mogelijk een duidelijker beeld te schetsen van het verschil in gevolgen wanneer de sector als geheel voor uitdagingen wordt gesteld. Het realiseren van een grotere solidariteit onder werkenden in de sector, een van de belangrijke uitgangspunten in de Fair Practice Code, gaat beter wanneer duidelijker is wie van hen wordt geraakt door ontwikkelingen en beleidskeuzes, en op welke manier en in welke mate.

Dit kan enerzijds gebeuren door sterker in te zetten om via onderzoek een beter beeld te krijgen van de samenstelling van werkenden in verschillende domeinen. Te bekijken waaruit de inkomens zijn opgebouwd en welke motivaties eraan ten grondslag liggen, zoals dit bijvoorbeeld in het onderzoek Loont passie? in Vlaanderen gebeurt. Daarnaast is echter ook een beter beeld nodig van loopbaanontwikkeling en de effecten van de infrastructuur waarbinnen werk wordt gefinancierd en georganiseerd. In welke delen is marktwerking een realistische optie, en waar is dit juist onhaalbaar of onwenselijk? Waar hebben flexibele arbeidsrelaties de voorkeur en waar juist vaste, en waarom? Maar ook, hoeveel ruimte is er binnen de verschillende domeinen om de beroepspraktijk daadwerkelijk te vernieuwen? Platform ACCT werkt al aan het beantwoorden van een deel van deze vragen en presenteerde in samenwerking met Kunsten ’92 het Fair Practice Lab om in samenwerking met organisaties (momenteel nog alleen de leden van Kunsten ’92) een visie op fair practice te concretiseren die past bij de individuele organisatie. Op deze pagina zullen we in de toekomst hun opbrengsten koppelen aan andere inzichten en gegevens.

Meer weten over het thema Beroepspraktijk?

Bekijk meer data over het thema Beroepspraktijk in het Dashboard van de Cultuurmonitor.

Meer lezen over beroepspraktijk? Klik op de volgende link voor een lijst met beschikbare literatuur in de Kennisbank van de Boekmanstichting.

Een vorige editie van de tekst op deze themapagina kan hier gevonden worden.

Literatuur

Allen, J., B. Belfi en T. Huijgen (2022) Hbo’ers in coronatijd: een longitudinaal onderzoek naar de werk- en persoonlijke ervaringen van hboafgestudeerden. Maastricht:  Researchcentrum voor onderwijs en arbeidsmarkt.

Askvik, T, R.A. Jacobsen, B Kleppe (2022) ‘Income changes for Norwegian artists during the pandemic’. In: Nordisk kulturpolitisk tidsskrift, vol. 25, Iss.2.

Been, W., E. Loots en Y. Wijngaarden (2022) ‘De creatieve arbeidsmarkt in tijden van corona. Trends en cijfers over de eerste periode van de pandemie’. In Boekman, nr. 132, jr. 34, 38-43.

Brook, O., D. O’Brien en M. Taylor (2020) Culture is bad for you: inequality in the cultural and creative industries. Manchester: Manchester University Press.

CBS (2021) ‘Monitor Kunstenaars en andere werkenden met een creatief beroep, 2021’. Op: www.cbs.nl, 6 oktober.

CBS (2023) ‘Arbeidsmarkt culturele en creatieve sector 2010-2022Q3’ (maatwerktabel)’. Op: www.cbs.nl, 6 januari.

Goudriaan, R. (et al.) (2021) Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund: effecten van de coronacrisis in de culturele sector. Amsterdam/Utrecht/Den Haag: Boekmanstichting/SiRM/Significant APE.

Jong, J. de, J. Kolsteeg en N. Schram (2021) “Kunstenaars stoppen niet”…..maar de positie van veel culturele zzp’ers is wel precair : onderzoek naar de beroepspraktijk en biotoop van zelfstandige kunstdocenten en artistiek begeleiders. Utrecht: LKCA.

Loots, E. en A. van Witteloostuijn (2022) Inkomens en verdienvermogen in creatieve sectoren. Rotterdam: Erasmus University Rotterdam en Vrije Universiteit.

Rutten, P., W. Manshanden en F. Visser (2022) Monitor creatieve industrie 2021. Hilversum: Stichting Media Perspectives.

VSCD (2022) Podia 2021: cijfers en kengetallen. Amsterdam: VSCD.

Verantwoording beeld

Unmute us/ Fotografie: Lisa Maatjens