Cultuur en participatie

Thema

Cultuurparticipatie is ongelijk over de bevolking verdeeld. Onderwijscarrière, inkomen en migratieachtergrond blijken een rol te spelen in het cultuurbereik. Al bestaande verschillen tussen sociale groepen lijken tijdens de coronacrisis groter te zijn geworden. Maar hoe blijvend zijn deze effecten?

Samenvatting

Een onontkoombare conclusie van onderstaande rapportage is dat cultuurparticipatie ongelijk over de bevolking verdeeld is. Onderwijscarrière, inkomen en migratieachtergrond blijken een rol te spelen in het cultuurbereik. Al bestaande verschillen tussen sociale groepen lijken tijdens de coronacrisis groter te zijn geworden. Maar hoe blijvend zijn de effecten van de coronacrisis op de deelname aan het culturele leven?

Het herstel van de culturele sector kan gezien de aanhoudende onzekerheid nog een lange tijd duren. En ook is het niet vanzelfsprekend dat het ‘oude’ publiek weer zijn weg terugvindt. Er is volop aandacht voor de culturele infrastructuur, maar het is net zo belangrijk om na te denken over het herstel van cultuurparticipatie. Want hoewel mensen niet stilzaten tijdens de crisis – er werd meer gelezen, er werden meer games gespeeld, er werd volop gestreamd en video-on-demand floreerde – zullen er forse inspanningen nodig zijn om cultuur ‘van en voor iedereen’ (weer) mogelijk te maken.

Inleiding

Wanneer we naar de cijfers over 2020 en voor zover bekend over 2021 kijken, is het duidelijk dat de coronapandemie tot op de dag van vandaag en waarschijnlijk nog jaren hierna grote gevolgen heeft voor de culturele en creatieve sector. Niet alleen voor de arbeidsmarkt of het culturele aanbod (zie de verschillende domeinpagina’s), maar ook voor kunst- en cultuurdeelname in de vrije tijd. De effecten van de coronacrisis op cultuurdeelname voor de langere termijn zijn moeilijk in te schatten, maar voor 2020 moet een forse terugval worden vastgesteld. Zo daalde het percentage mensen dat ten minste eenmaal een festival bezocht drastisch (van 60 procent in 2018 naar 22 procent in 2020) en ook het museumbezoek (eveneens ten minste eenmaal per jaar) liep terug van meer dan de helft van de Nederlandse bevolking in 2018 naar twee vijfde in 2020 (VTO). De klap is het grootst bij de podiumkunsten, zoals ook te zien is aan de forse terugloop van publieksinkomsten, met name bij de vrije producenten (zie hiervoor het domein Theater, en het rapport Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund). Gelet op de aanhoudende beperkingen gedurende het lopende jaar moet ook voor 2021 een sterke achteruitgang van het cultuurbezoek worden verwacht ten opzichte van de situatie voor corona.

Door de coronabeperkingen hebben culturele instellingen hun deuren meermaals geheel of gedeeltelijk moeten sluiten. Activiteiten werden afgelast of konden slechts in aangepaste vorm doorgang vinden. Het ziet er naar uit dat we voorlopig nog niet van de coronamaatregelen af zijn. Dit heeft voor culturele instellingen en makers grote gevolgen: voor hun artistiek-inhoudelijke werk, maar ook voor hun bedrijfsvoering en planning. Corona beïnvloedt vrijwel alle aspecten en doelstellingen van de culturele praktijk waaronder het aantrekken van nieuw en divers publiek.

De aandacht voor publiek, bezoekers en deelnemers van de afgelopen jaren – samengevat in het motto ‘cultuur is van en voor iedereen’ van minister Van Engelshoven van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) in haar Uitgangspunten Cultuurbeleid 2021-2024 (Engelshoven 2019) – is bij culturele instellingen en bestuurders in de coronaperiode niet verdwenen. Zo ontstond als alternatief voor fysiek bezoek meer digitaal cultuuraanbod, met een veelheid aan mogelijkheden voor het bereiken van nieuw publiek, ook over de grens. Denk aan virtuele rondleidingen bij musea, online registraties van theatervoorstellingen of digitale leesclubs (zie hier een overzicht van online culturele initiatieven). Hoewel het nog ontbreekt aan overkoepelende cijfers over het online bereik, blijken met deze programmering daadwerkelijk nieuwe bezoekers bereikt te worden (Knol 2021; Cohen et al. 2020). Maar deze digitale mogelijkheden hebben het verlies aan publieksbereik maar ten dele kunnen compenseren.

Op deze pagina beschouwen we de ontwikkelingen in relatie tot het publiek aan de hand van cijfers uit de meest recente Vrijetijdsomnibus (VTO): een onderzoek naar het culturele gedrag van Nederlandse inwoners in 2020, op verzoek van het ministerie van OCW uitgevoerd door het CBS en de Boekmanstichting. Daarnaast leggen we uit welke stappen we in de afgelopen tijd hebben genomen om meer zicht te krijgen op cultuurparticipatie in de Cultuurmonitor bij de verschillende domeinen en data in de bijbehorende database.

Kerncijfers cultuurparticipatie

Welke effecten zien we tijdens de coronapandemie op het bereik van cultuur, zijn er verschuivingen? Worden er ondanks de sterk verminderde gelegenheid tot fysiek bezoek toch nieuwe groepen bereikt? Komt daarmee realisatie van cultuur ‘van en voor iedereen’ dichterbij of heeft de coronapandemie al bestaande sociale verschillen in cultuurdeelname verder vergroot? Eerdere analyses van het SCP lieten op basis van de VTO zien dat het cultuurbereik hoger is naar gelang mensen meer opleiding hebben genoten. Hoe ziet dat eruit in 2020?

Deze vragen behandelen we volgens een indeling in drie thema’s: consumptie, beoefening en draagvlak. Leidend hierbij zijn de data uit de al genoemde Vrijetijdsomnibus (VTO), die het CBS samen met de Boekmanstichting (voor cultuur) en het Mulier Instituut (voor sport) ter hand genomen heeft in 2020. Het vrijetijdsonderzoek geeft inzicht in cultureel bezoek, beoefening in de vrije tijd en betrokkenheid bij cultuur in tijden van corona van de bevolking van 12 jaar en ouder. Omdat dit de vijfde editie van de VTO is, is het mogelijk om vergelijkingen te maken met voorgaande jaren. Waar mogelijk vullen we de inzichten aan met gegevens uit andere bronnen.

1. Consumptie

Cultuurbezoek is de vorm van cultuurparticipatie waarop de coronapandemie en bijbehorende maatregelen de grootste impact hebben gehad, meer nog dan op beoefening of draagvlak. In 2020 zien we een forse afname in het cultuurbezoek (zie tabel 1). Waar in 2018 nog 94 procent van de Nederlanders ten minste eenmaal een bezoek bracht aan cultuur, is dat in 2020 met 10 procentpunt gezakt naar 84 procent. Net als in vorige jaren zien we dat het kunstbezoek hoger ligt dan het erfgoedbezoek (respectievelijk 81 en 47 procent), maar beide zijn in 2020 ten opzichte van voorgaande jaren flink gedaald (in 2018 kunstbezoek 93 en erfgoedbezoek 66 procent). De dalende aantallen bevestigen over de breedte van het culturele veld het beeld dat we bij de verschillende deelsectoren al konden zien (zie hiervoor de domeinpagina’s Audiovisueel, Theater of Muziek).

De afname in cultuurbezoek zien we niet bij alle vormen van cultuur evenredig. Waar in 2018 nog bijna driekwart van de Nederlanders wel eens een bezoek bracht aan de podiumkunsten, is dat in 2020 nog niet eens de helft. Het filmbezoek is met 23 procentpunt afgenomen, beeldende kunst met 18 procentpunt en erfgoed met 19 procentpunt. Mensen zijn daarentegen niet minder gaan lezen. Hoewel het bereik van gedrukte boeken licht is afgenomen (met 3 procentpunt van 76 naar 73), is het aantal mensen dat e-boeken leest nog niet eerder zo hoog geweest. Onderzoek van KVB Boekwerk geeft verder aan dat de coronacrisis ook invloed heeft gehad op het soort boeken dat verkocht werd. Het aantal verkochte jeugdboeken steeg met 6 procent, terwijl de afzet in de categorie ‘non-fictie vrije tijd’ daalde met 12 procent (KVB Boekwerk 2021, zie voor een uitgebreidere analyse het domein Letteren).

Van de activiteiten die buiten de deur plaatsvonden werd film in 2020 met 44 procent het meest bezocht, gevolgd door een bezoek aan een historische binnenstad (42 procent) en populaire podiumkunsten (33 procent, waaronder popmuziek, feesten met optredens).

Uit bovenstaande tabel blijkt dat niet alleen het aantal mensen dat cultuur bezoekt is afgenomen, ook de frequentie van het bezoek is afgenomen. Waar in 2018 bezoekers gemiddeld 19 keer per jaar cultuur bezochten, is dat in 2020 gezakt naar een bezoekfrequentie van 12. Kunstbezoek daalde van 16 keer in 2018 naar 10 in 2020, en erfgoed van 5 naar 4. Gemiddeld bezocht de erfgoedbezoeker ieder kwartaal een historische stad (4 keer per jaar).

De frequentie van filmbezoeken is daarentegen gelijk gebleven: vijfmaal per jaar. Dit is opvallend gezien het feit dat filmhuizen en bioscopen een deel van 2020 gesloten waren door de coronabeperkende maatregelen. Dit houdt in dat de mensen die in 2020 films bezochten dit met flinke regelmaat zijn blijven doen. Bovendien maakt 73 procent van de Nederlandse bevolking gebruik van streamingsdiensten voor films en series (zoals Netflix, NPO Start, Videoland), en bijna een derde kijkt online films via filmhuizen of bioscopen (denk aan Pathé Thuis of Picl). Op de domeinpagina Audiovisueel wordt getoond dat in 2018 voor het eerst de brutorecette van de Nederlandse bioscopen ingehaald werd door de totale omzet van streamingdiensten in Nederland. De groei in video-on-demand (VOD) is sindsdien alleen maar toegenomen.

Verdeling consumptie naar persoonskenmerken

Het cultuurbezoek is over de jaren heen – gemiddeld van 2014 tot 2020 – ongelijk over de bevolking verdeeld (tabel 1.2). Dat bleek ook al uit eerdere edities van de VTO, maar is nog steeds zichtbaar in 2020. Het cultuurbereik verschilt gemiddeld het meest naar iemands opleidingsniveau, leeftijd en inkomen. Het bereik is groter onder mensen met een hbo- of wo-opleiding, jongeren en hogere gezinsinkomens. Stedelijkheid en geslacht blijken minder bepalend voor het bereik, al lijken vrouwen iets vaker cultuur te bezoeken (zeker bij gecanoniseerde podiumkunsten, zoals klassieke muziek en opera).

Het bereik verschilt ook tussen kunst en erfgoed. Zo zie je dat opleidingsniveau (van zowel eigen onderwijs als – in mindere mate – dat van de ouders) een grotere rol speelt bij erfgoed dan bij kunst. Ook migratieachtergrond lijkt bij erfgoed bepalender voor het bereik, evenals het inkomen. Daarentegen lijkt leeftijd minder invloed te hebben bij erfgoed dan bij kunst.

* Bevolking van 12 jaar en ouder, gecontroleerd, gemiddeld over 2014-2020 (in indexcijfers, N = 10612 bij cultuur en kunst, en N= 11428 bij Erfgoed)
** Percentages zijn vetgedrukt als een persoonskenmerk statistisch significant samenhangt met cultuurbezoek (p < 0,05). De significantie wordt altijd ten opzichte van de controlegroep (de eerste rij van een groepsvergelijking) getoond. Dat wil zeggen dat bijvoorbeeld bij Cultuur ‘Eigen onderwijs: lager’ significant afwijkt van ‘Eigen onderwijs: hoger’
*** Toets: lineaire regressieanalyse met cultuurbezoek als afhankelijke variabele (p < 0,05). De gegevens zijn geïndexeerd zodat het gemiddelde 100 is.
**** Cijfers zijn voorlopig

Als we inzoomen op de verschillende kunstvormen, dan vallen ook hier grote onderlinge verschillen op in spreiding van het bereik (tabel 1.3). Bij alle kunstvormen zien we dat opleidingsniveau (van zowel de respondent zelf als van diens ouders) effect heeft op het bereik: hoe hoger het opleidingsniveau, hoe hoger het bereik. Dit effect zien we nog het meest terug bij de gecanoniseerde podiumkunsten en de beeldende kunst. Bij gecanoniseerde podiumkunsten is de bezoekfrequentie van hoger opgeleiden bijna 2,5 keer groter dan bij lager opgeleiden, en ruim 1,5 keer groter dan bij middelbaar opgeleiden. Dit wil zeggen dat opleidingsniveau een direct verband heeft met het bereik.

In alle kunstvormen is het bereik lager bij een lager inkomen. Hoge inkomens hebben het meeste bereik. Hoewel geslacht niet erg bepalend lijkt te zijn voor het totale kunstbereik, is dat wel het geval bij gecanoniseerde podiumkunsten (zie tabel 1.3). Hier is het bereik van vrouwen aanzienlijk hoger dan van mannen. Bij populaire podiumkunsten is het bereik onder vrouwen eveneens hoger, maar mannen hebben hierbij wel een hogere bezoekfrequentie.

Bij populaire podiumkunsten zien we dat naast opleidingsniveau, ook migratieachtergrond, leeftijd en inkomen een grote rol spelen (tabel 1.3). Jongeren lijken in deze categorie het meest bereikt te worden, het bereik van jongeren is bijna twee keer groter dan bij de groep 65+ (bij gecanoniseerde podiumkunsten is de groep ouderen net zo groot als de groep jongeren). Ook mensen zonder een migratieachtergrond en met een hoog inkomen maken meer gebruik van het aanbod populaire podiumkunsten.

Beeldende kunst lijkt daarentegen het meest vergelijkbaar met gecanoniseerde podiumkunsten – de genoten opleiding heeft een grote invloed op het bereik. De mate van stedelijkheid heeft ook het grootste effect op de beeldende kunst: het bereik van deze discipline is in stedelijke regio’s groter dan in de minder verstedelijkte gebieden.

* Gecontroleerd, bevolking van 12 jaar en ouder, 2012-2020 (in indexcijfers, 100 is gemiddeld, N = 14329). Bij Populaire podiumkunsten is gemiddelde over 2014-2020 (N = 11354).
** Percentages zijn vetgedrukt als een persoonskenmerk statistisch significant samenhangt met kunstbezoek (p < 0,05). De significantie wordt altijd ten opzichte van de controlegroep (de eerste rij van een groepsvergelijking) getoond. Dat wil zeggen dat bijvoorbeeld bij Film ‘Eigen onderwijs: lager’ significant afwijkt van ‘Eigen onderwijs: hoger’.
*** Toets: lineaire regressieanalyse met kunstbezoek als afhankelijke variabele (p < 0,05). De gegevens zijn geïndexeerd zodat het gemiddelde 100 is.
**** Cijfers zijn voorlopig

Naast de verschillende kunstvormen kunnen we ook kijken naar culturele locaties: musea, bibliotheken, festivals en feesten (tabel 1.4). Hier zien we over de jaren heen – gemiddeld van 2014 tot 2020 – eveneens ongelijkheid in de omvang van het bezoek, waarbij wederom vooral opleidingsniveau een belangrijke factor is. Vooral bij musea is het verband met genoten opleiding zichtbaar: het bereik bij lager opgeleiden is bijna twee keer zo klein als bij hoger opgeleiden. Dit effect zien we in mindere mate bij festivals en feesten. Bij alle cultuurlocaties is het bereik het hoogst onder jongeren, en dan met name bij bibliotheken. Bij feesten zien we dat de grootste groep uit 20 tot 34-jarigen bestaat. Ouderen (65+) gaan in verhouding het minst naar festivals en feesten.

Opvallend is de rol van bibliotheken in het bereiken van mensen met een migratieachtergrond. Waar bij alle andere locaties het bereik onder mensen met een westerse achtergrond het hoogst is, is dat bij bibliotheken omgekeerd: het bereik is verhoudingsgewijs het grootst onder de mensen met een niet-westerse afkomst. Hier komt bij dat alleen bij bibliotheken het bereik van mensen met een lager gezinsinkomen groter is dan hoge inkomens. De onderzoekers van Bibliotheekinzicht laten verder in hun analyse zien dat bibliotheken in specifiek 2020 ‘met name aandacht [gaven] aan kinderen en ouderen, die extra geraakt werden door de wegvallende voorzieningen van de bibliotheek’ (Bibliotheekinzicht 2021).

* Gecontroleerd, bevolking van 12 jaar en ouder, 2012-2020 (in indexcijfers, N = 14329). Festivals tonen het gemiddelde van 2018-2020 (N = 4290).
** Percentages zijn vetgedrukt als een persoonskenmerk statistisch significant samenhangt met bezoek aan culturele plekken (p < 0,05). De significantie wordt altijd ten opzichte van de controlegroep (de eerste rij van een groepsvergelijking) getoond. Dat wil zeggen dat bijvoorbeeld bij Museum ‘Eigen onderwijs: lager’ significant afwijkt van ‘Eigen onderwijs: hoger’.
*** Toets: lineaire regressieanalyse met bezoek aan culturele plekken als afhankelijke variabele in 2012 tot en met 2020. De gegevens zijn geïndexeerd zodat het gemiddelde 100 is.
**** Cijfers zijn voorlopig

Hoewel stedelijkheid in het totale bereik nauwelijks gewicht heeft, maakt deze variabele wel veel uit in de frequentie van het cultuurbezoek. Cultuurbreed, maar ook specifiek in de kunsten en in erfgoed, bezoeken mensen uit de stedelijke regio’s vaker kunst en erfgoed dan mensen daarbuiten. Deze ontwikkeling zien we ook terug in de onderliggende kunstdomeinen: gecanoniseerde en populaire podiumkunsten, beeldende kunst en film.

Effecten corona 2020 op consumptie

Zoomen we voor de persoonskenmerken specifiek in op het jaar 2020, dan zien we vergelijkbare uitkomsten met de gemiddelden zoals hierboven gepresenteerd. Het cultuurbereik is wederom groter onder hoger opgeleiden, jongeren en mensen met een hoger gezinsinkomen. En het lijkt erop dat de al bestaande verschillen tussen sociale groepen tijdens de coronacrisis groter zijn geworden. In 2020 zien we dat het verschil in bereik tussen hoger en lager opgeleiden groter is ten opzichte van het gemiddelde van 2014-2020 bij zowel kunst als erfgoed, en ook migratieachtergrond is bepalender geworden in het bereik. Zo heeft niet-westers voor cultuurbereik in 2020 een index van 88 tegenover 96 gemiddeld van 2014-2020, en lager onderwijs een index van 86 tegenover 92 gemiddeld (zie tabel 1.2). Het gemiddelde van 2014-2020 zal omlaag getrokken worden door het jaar 2020, wat betekent dat het verschil tussen voorgaande jaren en 2020 in werkelijkheid groter is dan hier gepresenteerd wordt.

* Gecontroleerd, bevolking van 12 jaar en ouder, in 2020 (in indexcijfers; 100 is gemiddeld, N = 2726)
** Percentages zijn vetgedrukt als een persoonskenmerk statistisch significant samenhangt met cultuurbezoek (p < 0,05). De significantie wordt altijd ten opzichte van de controlegroep (de eerste rij van een groepsvergelijking) getoond. Dat wil zeggen dat bijvoorbeeld bij Cultuur ‘Eigen onderwijs: lager’ significant afwijkt van ‘Eigen onderwijs: hoger’.
*** Toets: lineaire regressieanalyses met cultuurbezoek als afhankelijke variabele in 2020. De gegevens zijn geïndexeerd zodat het gemiddelde 100 is.
**** Cijfers zijn voorlopig

Bij kunst zien we dat vooral leeftijd bepalend is in het bereik. Jongeren hebben in 2020 veel meer geparticipeerd dan de ouderen (65+), respectievelijk met een index van 122 en 92. Dit is niet vreemd gezien de relatief hoge impact van corona op de gezondheid van ouderen, de daarmee gepaard gaande terughoudendheid van hen bij fysieke ontmoetingen en het feit dat er in 2020 nog geen vaccinatiebeleid was. Daarnaast is opleidingsniveau (van zowel de respondent als van de ouders) bepalender in 2020 dan gemiddeld in het bereik. Bij erfgoed heeft het eigen opleidingsniveau en de migratieachtergrond in 2020 meer gewicht dan gemiddeld voor de jaren 2012-2020. In 2020 participeren mensen met een lager opleidingsniveau of een niet-westerse migratieachtergrond 1,5 keer minder vaak dan mensen met een hoger opleidingsniveau of met een Nederlandse migratieachtergrond. Leeftijd heeft in 2020 niet zo’n sterk effect op erfgoed als bij de kunsten.

Het streven naar een zo groot en breed mogelijk publieksbereik staat al lange tijd hoog op de cultuurpolitieke agenda. De cijfers uit de VTO wijzen erop dat de coronapandemie deze ambities heeft belemmerd, maar nadere analyse van de VTO-data is nog nodig om hier harde uitspraken over te kunnen doen. In een brief aan de Tweede Kamer kondigde minister van Engelshoven onlangs alvast aan middelen te willen reserveren voor een campagne om publiek weer terug te winnen (Engelshoven 2021). Ook met het oog daarop verdient het aanbeveling om per cultuurdomein meer diepgaand onderzoek te doen naar het cultuurbezoek (zowel fysiek als digitaal) gedurende de coronapandemie en op basis daarvan te werken aan herstel.  

2. Beoefening

Naast cultuurbezoek is er cultuurbeoefening. In 2020 beoefent 61 procent van de Nederlandse bevolking een vorm van cultuur. Daarbij zijn er meer beoefenaars in de kunsten (50 procent) dan bij erfgoed (31 procent). En hoewel we bij beide een lichte daling zien in het bereik ten opzichte van voorgaande jaren, is deze niet zo drastisch als bij bezoek. De Monitor Amateurkunst (MAK) van het LKCA spreekt zelfs over een lichte toename in het aandeel kunstbeoefenaars in 2021 (Neele et al. 2021a).

Als we kijken naar de frequente cultuurbeoefenaars, dan zien we in 2020 ook maar een beperkte afname. Bij erfgoed blijft de frequentie in 2020 zelfs gelijk aan die van 2018. Wel zien we een lichte afname bij kunstbeoefening, en dan met name bij de podiumkunsten.

Onder podiumkunsten vallen veelal sociale activiteiten als toneelspelen of zingen in koren, die lastiger vanuit huis uit te voeren zijn. Zo meldt Koornetwerk Nederland een drastische terugval van het aantal leden (Koornetwerk Nederland 2021). Deze cijfers uit de VTO sluiten aan bij de bevindingen van de MAK, waar eveneens een stijging zichtbaar is in de beoefening van ‘individuele’ activiteiten, en een afname in sociale activiteiten. Als verklaring voor de toename van de individuele activiteiten geven de onderzoekers naast de mogelijkheid van thuisbeoefening ook de toegang tot online instrumenten en platforms om te leren, samen te komen en werk te tonen (Neele et al. 2021a, 3).

Verdeling beoefening naar persoonskenmerken

Net als cultuurbezoek is ook beoefening over de jaren heen – tussen 2012 en 2020 – niet gelijk verdeeld over de bevolking (zie tabel 2.2), maar de verschillen zijn wel minder groot. Tussen opleidingsniveau (laag- en hoogopgeleiden) en leeftijd (jongeren versus ouderen) zitten de grootste verschillen. Zo noteren jongeren voor beoefening een index van 135 terwijl ouderen een index van 96 hebben. Ook de MAK laat zien dat jongeren – en dan met name van 6 tot 11 jaar – het meest kunstzinnig of creatief zijn in de vrije tijd, en ouderen (65+) het minst. Inkomen heeft bij beoefening in tegenstelling tot bij bezoekersbereik weinig effect. Bij cultuurbeoefening zien we zelfs dat mensen met een lager inkomen meer beoefenen dan mensen met een hoger inkomen (index respectievelijk 103 en 98).

* Bevolking van 12 jaar en ouder, 2012-2020 (in indexcijfers, gemiddeld = 100, N = 14329)
** Percentages zijn vetgedrukt als een persoonskenmerk statistisch significant samenhangt met cultuurbeoefening
(p < 0,05). De significantie wordt altijd getoond ten opzichte van de controlegroep (de eerste rij van een groepsvergelijking). Dat wil zeggen dat bijvoorbeeld bij Cultuur ‘Eigen onderwijs: lager’ significant afwijkt van ‘Eigen onderwijs: hoger’.
*** Toets: drie lineaire regressieanalyses met cultuurbeoefening, kunstbeoefening en erfgoedbeoefening als afhankelijke variabelen in alle beschikbare meetjaren, dus 2012 tot en met 2020. De gegevens zijn geïndexeerd zodat het gemiddelde 100 is.

Zoomen we in op het jaar 2020, dan zien we een gelijke verdeling met het gemiddelde van 2012-2020, en verwachten we op basis hiervan geen grote verschuivingen tijdens corona.

* Bevolking van 12 jaar en ouder, 2020 (in indexcijfers, N = 2726)
** Percentages zijn vetgedrukt als een persoonskenmerk statistisch significant samenhangt met cultuurbeoefening
(p < 0,05). De significantie wordt altijd getoond ten opzichte van de controlegroep (de eerste rij van een groepsvergelijking). Dat wil zeggen dat bijvoorbeeld bij Cultuur ‘Eigen onderwijs: lager’ significant afwijkt van ‘Eigen onderwijs: hoger’.
*** Toets: drie lineaire regressieanalyses met cultuurbeoefening, kunstbeoefening en erfgoedbeoefening als afhankelijke variabelen in 2020. De gegevens zijn geïndexeerd zodat het gemiddelde 100 is.
**** Cijfers zijn voorlopig

3. Draagvlak

Meer dan de helft (54 procent) van de Nederlandse bevolking is in 2020 tevreden met het culturele aanbod in de woonomgeving. Dit is minder dan in 2018 (60 procent), maar ongeveer even veel als in 2016.

* Bevolking van 12 jaar en ouder, 2012-2018 (in procenten, N = 14329)
** Percentages zijn vetgedrukt als er sprake is van een statistisch significant verschil tussen een meetjaar en de waarde van 2012 ( p < 0.05). Op basis van een t-toets.
*** Cijfers zijn voorlopig

Draagvlak voor cultuur kan ook gemeten worden aan de hand van steun aan cultuur: door vrijwilligerswerk, donatie of lidmaatschap van een vriendenvereniging. In 2020 steunt een kwart van de bevolking cultuur op een van deze manieren: dit is een lichte afname ten opzichte van 2018 (zie tabel 3). 7 procent doet vrijwilligerswerk, 18 procent steunt cultuur door middel van donatie en 6 procent is lid van een vriendenvereniging. Kijken we over de gehele periode 2012-2020, dan zien we een afname in alle vormen: het coronajaar 2020 is daar geen uitzondering op. Uit onderzoek van het Prins Bernhard Cultuurfonds blijkt eveneens dat 90 procent van de bevolking van 18 jaar en ouder in 2020 niet heeft gedoneerd aan de cultuursector sinds de start van de crisis, slechts 4 procent heeft extra gedoneerd en 6 procent voor het eerst (Prins Bernhard Cultuurfonds 2020).

Daarnaast verschilt het draagvlak onder de verschillende groepen. In 2020 doneren mensen met een hoger opleidingsniveau, een hoger inkomen en een hogere leeftijd het meest (zie tabel 3.2). Gecontroleerd voor andere persoonskenmerken doneren mensen met een niet-westerse migratieachtergrond meer dan mensen met een Nederlandse of westerse migratieachtergrond, terwijl we eerder zagen dat deze groep minder vaak deelneemt aan culturele activiteiten.

Opvallend is verder dat mensen buiten stedelijke regio’s meer vrijwilligerswerk doen, evenals 65+ers en mannen. Vrouwen doneren daarentegen meer aan cultuur dan mannen. Gecontroleerd voor andere variabelen zien we daarnaast dat mensen met een laag inkomen meer vrijwilligerswerk doen dan mensen met een hoog inkomen, terwijl mensen met een lager opleidingsniveau ruim drie keer minder vaak vrijwilliger zijn dan mensen met een hoger opleidingsniveau.

* Gecontroleerd, bevolking van 12 jaar en ouder, 2020 (in indexcijfers, 100 is gemiddeld)
** Percentages zijn vetgedrukt als een persoonskenmerk statistisch significant samenhangt met draagvlak (donaties doen of vrijwilligerswerk in de cultuursector) (p < 0.05). De significantie wordt altijd getoond ten opzichte van de controlegroep (de eerste rij van een groepsvergelijking).
*** Toets: twee lineaire regressieanalyses met donaties en vrijwilligerswerk als afhankelijke variabelen in 2020. De gegevens zijn geïndexeerd zodat het gemiddelde 100 is.
**** Cijfers zijn voorlopig

Conclusies Vrijetijdsonderzoek

In 2020 zien we flinke sociale verschillen in het cultuurbezoek, die mogelijk toegenomen zijn in de coronapandemie. Op basis van de VTO zien we vergelijkbare contrasten als bij eerdere edities. Hoe hoger het opleidingsniveau, hoe meer cultuurbezoek, en ook inkomen en migratieachtergrond beïnvloeden het cultuurbezoek. De – al voor corona bestaande – verschillen zijn in 2020 in ieder geval niet afgenomen. Nadere analyse die in 2022 wordt uitgevoerd zal moeten uitwijzen of en zo ja, in welke mate de coronapandemie in de verschillende domeinen heeft bijgedragen aan sociale ongelijkheid.

Maar hoe blijvend zijn de effecten van de coronacrisis op het culturele leven? Volgens het SCP zijn er twee mogelijkheden wat betreft de richting van de vraagkant in 2022 (Broek 2020). Enerzijds kan het cultuurbezoek toenemen ten opzichte van 2020, maar dit scenario staat bij de aanhoudende beperkingen mogelijk nu al onder druk. Toch kunnen er wel tijdelijke stijgingen zijn na de lockdowns door het willen ‘compenseren’ van gemiste activiteiten tijdens die lockdowns. Anderzijds kan de toename in digitale thuisconsumptie – zoals films of voorstellingen van podia via streamingdiensten of virtuele rondleidingen in musea – leiden tot afname in behoefte aan een fysiek bezoek (Broek 2020).

Daarnaast kan de angst voor het virus ook het bereik blijven remmen, met name voor hen die kwetsbaarder zijn. Uit eerder onderzoek blijkt namelijk dat de voornemens om weer culturele instellingen te bezoeken lager zijn in de groepen en de gebieden die het meest door het virus zelf getroffen zijn, zoals ouderen (Broek 2020, Beerda 2020). Dit zou de ongelijkheid in cultureel bereik verder kunnen vergroten. In Verschil in Nederland dat het SCP in oktober 2021 uitbracht, waarschuwen de auteurs dat de coronapandemie de verschillen tussen sociale groepen waarschijnlijk heeft vergroot, en dat niet iedereen even gemakkelijk van de coronacrisis op zal krabbelen (Hoff et al. 2021). Dit zou kunnen betekenen dat de pandemie niet alleen effecten op dit moment heeft, maar ook op de langere termijn de sociale verschillen vergroot.

Er is helaas weinig aanleiding om voor 2021 een verbetering van het beeld dan 2020 te verwachten. Zo zien theaters in oktober 2021 nog nauwelijks een toename in het aantal bezoekers (Open Rotterdam 2021). De mensen die komen, lijken vooral vaste theaterbezoekers, maar de niet-vaste bezoekers lijken momenteel minder geneigd om een voorstelling te bezoeken, zo meldt Theater Rotterdam in een interview (OPEN Rotterdam 2021). Hetzelfde geldt voor musea, ook hier lijkt het publiek in 2021 nog terughoudend – en dan met name ouderen (Leeuwen 2021). Daarnaast rapporteert de Verenigingsmonitor van het LKCA in 2021 een forse daling van het aantal leden: tijdens de coronapandemie daalde bij 36 procent van de verenigingen het aantal leden (Neele et al. 2021b). Het gemiddeld aantal vaste leden daalde bovendien met 12 procent van 41 in 2018 naar 36 in 2021 (Neele et al. 2021b). En ook in de sport en onderwijs zijn er trends van sociale ongelijkheid zichtbaar, waar vooral lager opgeleiden in 2020 minder zijn gaan bewegen (Pulles 2021).

Uiteindelijk heeft een afname aan de vraagkant ook effecten op de aanbodzijde, en andersom. Bij het wegblijven van bezoekers kan er ook een verschraling van het aanbod ontstaan, bijvoorbeeld doordat instellingen in financiële nood raken bij het uitblijven van publieksinkomsten. De verschillende steunmaatregelen vanuit de Rijkscultuurfondsen hebben zich de afgelopen periode vooral op het aanbod gericht, maar in veel mindere mate op het stimuleren van de vraag (Brom en Schrijen 2021). De aandacht voor het herstel van de culturele infrastructuur is belangrijk, maar het is ook van belang om na te denken over het herstel van cultuurparticipatie. Want hoewel mensen ook (digitale) alternatieven wisten te vinden tijdens de crisis, zullen er forse inspanningen nodig zijn om cultuur ‘van en voor iedereen’ (weer) mogelijk te maken. Zo benadrukte ook de minister in een brief aan de Tweede Kamer op 16 november dat terugval in publiek niet alleen het wegvallen van inkomsten bij culturele instellingen betekent, maar ook de maatschappelijke impact van cultuur beperkt (Engelshoven 2021). Om de verbinding met het publiek, beoefenaars en vrijwilligers in de toekomst te kunnen behouden en stimuleren stelt zij enkele maatregelen voor – mede op basis van de adviezen uit Sterker uit corona van de Raad voor Cultuur. Voorbeelden zijn campagnes om drempels te verlagen voor (niet-)bezoekers of investeringen in samenwerking met het sociaal domein.

Daarnaast is het belangrijk dat er in dit herstel extra aandacht besteed wordt aan digitalisering en de toegankelijkheid van cultuur. Zo was in 2020 twee derde van de permanente museumcollecties via internet toegankelijk voor het publiek. En bij 82 procent van de musea vonden online activiteiten plaats, uiteenlopend van virtuele rondleidingen tot opdrachten of challenges (Visser et al. 2021). Ook werden er meer e-books gelezen dan ooit tevoren en floreerden streamingdiensten. Volgens de Raad voor Cultuur maken digitale technologie en distributie het mogelijk ‘om cultureel aanbod te vernieuwen, het publieksbereik te vergroten en te verbreden, en de publiekservaring te verdiepen’ (Raad voor Cultuur 2021, 10). Dit vraagt echter wel om een breed gedragen strategie.

Cultuur en participatie verder in de Cultuurmonitor

Hoewel de gegevens uit de VTO veel zeggen over cultuurparticipatie, zijn er ook andere ontwikkelingen in de verschillende culturele domeinen die op deze pagina nog onderbelicht blijven, zoals de rol van digitalisering. Om cultuurparticipatie een structureel en integraal onderdeel van de monitor te maken hebben we in 2021 een aantal aanvullende stappen genomen. Zo zijn we gestart met het ontsluiten van de data in de database onder de kernthema’s Consumptie, Beoefening in de vrije tijd, en Draagvlak en interesse. Ook hebben we het aantal culturele domeinen in de monitor uitgebreid door onder andere Games als zelfstandig domein toe te voegen. Games zijn immers een belangrijk onderdeel van digitale cultuur, waar online of digitale cultuurbeleving en -beoefening vanzelfsprekender is dan bij sommige andere domeinen. Indicatoren over digitale cultuurdeelname hebben ook bij andere domeinen een prominentere rol gekregen, evenals consumptie van andere, veelal niet gesubsidieerde, cultuuruitingen.

Daarnaast besteden we in de komende jaren aandacht aan het thema inclusie en diversiteit. Inclusie en diversiteit snijden – net als cultuurparticipatie – dwars door alle thema’s (van arbeidsmarkt tot consumptie en infrastructuur) en cultuurdomeinen (van erfgoed tot games of podiumkunsten) van de Cultuurmonitor heen. Hoe worden diversiteit en inclusie gemeten, en hoe willen we het meten? Welke datasets en methoden over het onderzoeken van inclusie en diversiteit zijn er al beschikbaar en hoe kunnen deze ontsloten worden via de monitor? Op de themapagina Diversiteit en Inclusie wordt reeds bestaand onderzoek over inclusie en diversiteit samengebracht en werken we de komende jaren toe naar een antwoord op bovenstaande vragen.

Tot slot gaan we graag de samenwerking aan met de Taskforce Samenwerkingsverband Publieksdata om de gegevens in de monitor zo goed mogelijk af te stemmen. Een aantal belangrijke partijen in de culturele sector heeft de krachten gebundeld om zo publieksinzicht, kennis en kunde over publieksdata in de sector te vergroten en samenwerking te bevorderen. Begin 2022 komt er een advies over hoe er in de toekomst in de sector op het gebied van publieksdata samengewerkt kan worden. De Cultuurmonitor zal aansluiten op deze ontwikkelingen. 

Meer weten over het thema Cultuur en participatie?

Bekijk meer data over het thema Cultuur en Participatie in het dashboard van de Cultuurmonitor.       

Meer lezen over cultuur en participatie? Klik dan hier voor een lijst met beschikbare literatuur in de kennisbank van de Boekmanstichting.

Literatuur

Beerda, H. (2020) Effecten coronacrisis op het Nederlandse cultuurbezoek. Amsterdam: Brand Consultancy.

Bibliotheekinzicht (2021) ‘Dossier De bibliotheek in coronatijd’. Op: www.bibliotheekinzicht.nl.

Broek, A. van den (2020) Corona en de betekenis van het culturele leven: wat als de pandemie voorbijgaat, en wat als ze blijft? Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Broek, A. van den (2021) Wat hebben mensen met cultuur? culturele betrokkenheid in de jaren tien. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Brom, R. en B. Schrijen (2021) ‘Steun voor een sterk geraakte sector: over de impact van de coronacrisis en de steunmaatregelen op de culturele sector’. In: Nooit meer dansen, 219-239.

CBS (2022) ‘CBS introduceert nieuwe indeling bevolking naar herkomst’. Op: www.cbs.nl, 16 februari.

CBS (2021) ‘Het gebruik van “westers – niet-westers” door het CBS’. Op: www.cbs.nl, 21 april.

Cohen, M. en M. Verberk (2020) ‘Het digitaal erfgoed van de toekomst wordt nu gemaakt’. In: Boekman, jrg. 32, nr. 124, 50-55.

Engelshoven, I. van (2019) Uitgangspunten cultuurbeleid 2021-2024. Den Haag: Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Engelshoven, I. van (2021) Stand van zaken moties en toezeggingen met betrekking tot cultuur . Den Haag: Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Goudriaan, R. (et al.) (2021) Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund: effecten van de coronacrisis in de culturele sector. Amsterdam/Utrecht/Den Haag: Boekmanstichting/SiRM/Significant APE.

Knol, J. J. (2021) ‘Innovatielabs: vernieuwing na corona: interview met Syb Groeneveld en Bart Ahsmann’. Op: www.boekman.nl, 17 juni.

Koornetwerk Nederland (2021) ‘Corona veroorzaakt ongekende terugval van ledenaantallen bij korenbonden’. Op: www.koornetwerk.nl, 8 maart.

KVB Boekwerk (2021) ‘Verkoopcijfers 2020’. Op: www.kvbboekwerk.nl, 17 maart.

Leeuwen, A. van (2021) ‘Vooral ouderen en toeristen blijven weg: musea vrezen het ergste voor 2021’. Op: www.volkskrant.nl,  7 november.

Neele, A. en Z. Zernitz (2021a) Monitor Amateurkunst 2021. Utrecht: Landelijk Kenniscentrum Cultuureducatie en Amateurkunst.

Neele, A. en Z. Zernitz (2021b) VerenigingsMonitor 2021 . Utrecht: Landelijk Kenniscentrum Cultuureducatie en Amateurkunst.

OPEN Rotterdam (2021) ‘Rotterdamse theaters en podia worstelen met bezoekersaantallen: “Dit baart ons zorgen” ’. Op: www.openrotterdam.nl, 20 oktober.

Prins Bernhard Cultuurfonds (2020) Cultuur in Nederland .Groningen (etc.): Prins Bernhard Cultuurfonds.

Pulles (et al.) (2021) Monitor Sport en corona IV. Utrecht: Mulier Instituut.

Raad voor Cultuur (2021) Sterker uit corona: een agenda voor herstel en transitie . Den Haag: Raad voor Cultuur.

Hoff (et al.) (2021) Verschil in Nederland 2014-2020. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Visser, J. en L. Kuiper (samenst.) (2021) Museumcijfers 2020. Amsterdam: Museumvereniging.

Appendix – Verantwoording en beperkingen VTO

Hoewel de VTO ons veel inzicht geeft in het culturele gedrag van de Nederlandse bevolking, zijn er ook enkele beperkingen aan de vragenlijst. Allereerst is een belangrijke vraag of bepaalde groepen werkelijk minder cultuur bezoeken óf juist andere vormen van cultuur die nu niet (genoeg) meegenomen zijn? In de VTO van 2020 hebben we om deze reden meer aandacht voor verbreding van het cultuurbegrip, alsook meer aandacht voor nieuwe vormen van cultuurbeoefening en -consumptie, met name digitaal. Want wat mensen aan cultuur doen, wordt immers bepaald door hoe wij cultuur definiëren en welke vormen van cultuur we bevragen. Desalniettemin zitten bepaalde vormen (nog) niet volledig in de huidige vragenlijst, terwijl we wel weten dat zij een groot deel uitmaken van de cultuurconsumptie. Denk bijvoorbeeld aan games.

Daarnaast is er mogelijk sprake van een taalbarrière waardoor in werkelijkheid het gewicht van migratieachtergrond in de spreiding groter kan zijn. De vragenlijst is immers alleen beschikbaar in het Nederlands en het invullen daarvan vraagt om een algemeen begrip van de Nederlandse taal. Wanneer iemand de taal niet vaardig is, heeft diegene ook niet kunnen deelnemen aan de vragenlijst.

Ook geven de cijfers van de VTO geen inzicht in cultuureducatie, terwijl dit juist bij de jongere doelgroepen van groot belang is voor op de mate van cultuurparticipatie. Daarnaast bieden de hier getoonde cijfers geen inzicht in het culturele gedrag van jongeren onder de 12 jaar, die vanzelfsprekend ook kunnen participeren. Zo zien we bijvoorbeeld in de MAK dat het percentage beoefenaars van 6 tot 11 jaar het grootst is van alle leeftijdsgroepen (Neele et al. 2021a). Tot slot valt er in de VTO (helaas) geen onderscheid te maken in gesubsidieerd of niet-gesubsidieerd. De effecten van de coronacrisis op de culturele instellingen zijn mede afhankelijk van de beschikbaar gestelde steunmaatregelen. Dat heeft ook consequenties voor het culturele aanbod en dus voor de consumptie.

De VTO wordt sinds 2012 uitgevoerd door het CBS. Deze editie is het onderzoek voor het eerst uitgevoerd in opdracht van het ministerie van OCW en het ministerie van VWS. Het Mulierinstituut (voor sport) en de Boekmanstichting (voor cultuur) zijn daarbij nu verantwoordelijk voor de analyse en het ontsluiten van de uitkomsten. Zie hier de onderzoeksdocumentatie van de VTO 2020-2021. In dit document wordt verslag gedaan van het onderzoek: de voorbereiding, dataverzameling en verwerking van de gegevens.

Verantwoording beeld

Uitmarkt / Fotografie: Lisa Maatjens