Inleiding en overzicht
Op deze pagina brengen we ontwikkelingen in cultuurparticipatie in kaart. Wat doen Nederlanders in hun vrije tijd aan kunst en cultuur? Hoe is cultuurparticipatie over de bevolking verdeeld? En zijn er regionale verschillen in de mate waarin men deelneemt aan het culturele leven?
We kijken zowel naar passieve als actieve participatie, daarbij onderscheiden we 4 dimensies:
- Bezoeken van kunst- en cultuur (passief)
Het bezoeken van voorstellingen, tentoonstellingen en andere culturele activiteiten of locaties buiten de eigen woning. Het gaat hierbij om een passieve vorm van participatie, waarbij de ervaring primair wordt vormgegeven door (professionele) makers. Denk aan toneelvoorstellingen in een theater, muziekconcerten bij een poppodium, tentoonstellingen in musea, films in de bioscoop of activiteiten bij bibliotheken; - Beoefenen van amateurkunst en erfgoed (actief)
Actieve deelname aan creatieve, kunstzinnige, muzikale of erfgoed-gerelateerde activiteiten, binnen- buitenshuis en in (georganiseerd) groepsverband of alleen. Denk aan zingen, acteren, beeldhouwen of het doen van onderzoek naar historische personen of gebeurtenissen; - Consumeren van kunst en cultuur (passief)
Het consumeren van cultuur via verschillende media, op eigen gelegenheid, binnen- of buitenshuis en in groepsverband of alleen. Denk aan het lezen/luisteren van boeken, (samen) thuis films of series kijken, gamen met (online) medespelers of het bekijken van online registraties van podiumkunstvoorstellingen; - Ondersteunen van kunst- en cultuur (actief & passief)
Het ondersteunen van culturele instellingen of evenementen. Dit kan gaan om actieve ondersteuning, bijvoorbeeld in de vorm van tijd en inspanning, of passieve ondersteuning, in de vorm van donaties of lidmaatschap van een vriendenvereniging.
Per dimensie staan we stil bij de ontwikkelingen door de tijd en maken we onderscheid tussen verschillende bevolkingsgroepen. Voor bezoek, beoefening en ondersteuning beschrijven we ook verschillen tussen provincies en waar mogelijk maken we onderscheid naar de verschillende domeinen binnen de Cultuurmonitor.
Inzichten over de participatie van Nederlanders aan kunst- en cultuur is gebaseerd op vragenlijstonderzoek, zoals de rapportage Cultuurparticipatie in Cijfers (de Hoog & Swartjes, 2026) met cijfers uit de landelijke
Om een beeld te krijgen van de totale aantal bezoeken bij Nederlandse culturele organisaties kijken we naar bezoekersstatistieken van het CBS (voor musea en podiumkunsten) en branchecijfers (zoals de NVBF voor filmbezoeken en de KB voor bibliotheekbezoeken).
Belang van het thema
De waarde van cultuurparticipatie vormt het hart van het Nederlandse cultuurbeleid. In verschillende (beleids)rapporten wordt enerzijds de individuele waarde van cultuurparticipatie benadrukt, anderzijds de maatschappelijke waarde die het oplevert. In het advies Toegang tot Cultuur (2024) van de Raad voor Cultuur constateert de raad dat deelname aan het culturele leven, door middel van actieve beoefening of passieve beleving, bijdraagt aan de brede welvaart van Nederland. Daarbij gaat het niet alleen om puur economische waarde, maar wordt ook het belang van kunst- en cultuur bij andere maatschappelijke ontwikkelingen erkend, zoals welzijn, gezondheid, sociale samenhang en participatie. Toegang tot cultuur voor alle delen van de bevolking leidt tot een duurzame en weerbare samenleving en is zodoende in het belang van ons allemaal.
Het advies vat de waarde van cultuur samen in drie categorieën:
- De intrinsieke waarde
Het gaat dan met name om betekenisgeving en de mentale uitwerking van kunst en cultuur op publiek. Zo kan kunst- en cultuur publiek ontroeren, schokkeren, amuseren of intellectueel treffen; - De maatschappelijke waarde
Participeren aan kunst- en cultuur heeft bewezen positieve effecten op de mentale enfysieke gezondheid van mensen, daarnaast kan het burgerschap, democratie en sociale cohesie bevorderen en bijdragen aan gemeenschappelijke identiteiten. Ook kan het een bijdrage leveren aan sociaal-maatschappelijke vraagstukken, zoals de bestrijding van eenzaamheid; - De economische waarde
De culture en creatieve sector voegt direct en indirect waarde toe aan het bruto binnenlands product. Daarbij gaat het over de producten en diensten die worden geproduceerd, maar ook over de economische impuls van culturele instellingen en evenementen voor een stad en voor het vestigingsklimaat in algemene zin.
Beleidscontext
De verantwoordelijkheid van de Nederlandse overheid voor het scheppen van de juiste voorwaarden waarbinnen burgers zich cultureel kunnen ontwikkelen is vastgelegd in artikel 22 van de Grondwet. Gemeenten, provincies en het Rijk dragen deze verantwoordelijkheid samen en vertalen dit naar beleid. Daarbij wordt steevast ingezet op een divers aanbod dat ‘voor iedereen’ toegankelijk is (Uslu, 2023; VNG, 2024; IPO, 2025). Bovendien zetten overheden in op het versterken van de keten van cultuureducatie voor kinderen en talentontwikkeling onder jongeren (Staatscourant, 2025). Afspraken over de verantwoordelijkheden en afstemming van het algemene cultuurbeleid tussen de bestuurslagen zijn vastgelegd in het kader interbestuurlijke verhoudingen cultuur (Staatscourant, 2012) en voor cultuurbeoefening specifiek in Bestuurlijke afspraken cultuurbeoefening 2025-2028 (Staatscourant, 2025).
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de accommodatie van podiumkunsten en gemeentelijke collecties. Daarnaast zijn zij een essentiële schakel in de bemiddeling van het aanbod aan cultuureducatie tussen scholen en culturele instellingen en de aansluiting van het cultuuronderwijs met buitenschoolse culturele activiteiten. In de propositie Samen cultuur borgen verenigen Nederlandse gemeenten zich rondom de doelstelling cultuur voor alle inwoners toegankelijk, bereikbaar en aantrekkelijk te houden (VNG, 2024). Daarbij wordt nadruk gelegd op de maatschappelijke waarde van kunst- en cultuur voor domeinen zoals de zorg, welzijn, kansengelijkheid en een gezonde leefstijl. In de publicatie Hoopvol pionieren voor een nieuw paradigma laten de VNG en LKCA zes voorbeelden zien van gemeenten die cultuur met het maatschappelijke domein verbinden (VNG & LKCA, 2026).
Provincies zijn verantwoordelijk voor bovengemeentelijke coördinatie van regionale spreiding van voorzieningen en het beheer van provinciale collecties. Daarnaast ondersteunen zij actieve cultuurparticipatie en cultuureducatie in hun provincies door middel van Provinciale ondersteuningsinstellingen (POI), verenigd in de Raad van Twaalf.
Het Rijk draagt zorg voor een landelijke basisinfrastructuur (inclusief rijkscultuurfondsen) en musea die de Nederlandse rijkscollectie beheren. Via de Wet op het specifiek cultuurbeleid is vastgelegd dat het Rijk zich inspant voor de sociale en geografische verspreiding van cultuur, en bij kansenongelijkheid maatregelen neemt, zoals de cultuurkaart voor studenten. In de uitgangspunten voor het cultuurbeleid wordt ingezet op aanbod dat voor iedereen toegankelijk is (Uslu, 2023). Rondom cultuureducatie zorgt het rijk voor bekostiging, opdrachtverlening aan instellingen in de BIS en landelijke ondersteuning met innovatie, kennis en netwerken.
Het Fonds Cultuurparticipatie (FCP) speelt een belangrijke rol in het tot uitvoering brengen van dit beleid, waar het actieve kunst- en cultuurparticipatie betreft. De regelingen van het fonds zijn erop gericht actieve kunst- en cultuurdeelname te bevorderen onder Nederlanders. Via de regeling VLIAK (Versterking Landelijke Infrastructuur Amateurkunst) wordt de komende jaren een impuls gegeven aan ondersteuningsstructuren voor amateurkunsten (Noijens, 2025). Daarnaast zet het FCP via het programma Fonds in de Regio in op nauwere samenwerking met provinciale ondersteuningsinstellingen om zo de toegang tot cultuurdeelname te vergroten en middelen eerlijker te verdelen (FCP, 2025). Over regionale verschillen op het gebied van kunst- en cultuur lees je meer op de themapagina Cultuur in de Regio.
Bezoek
Algemene ontwikkelingen
Het rapport Cultuurparticipatie in cijfers (de Hoog & Swartjes, 2026) laat zien dat kunst- en cultuur voor het merendeel van de Nederlanders onderdeel van de vrijetijdsbesteding is. Zo bezochten negen op de tien (91 procent) Nederlanders (van 6 jaar en ouder) in 2024 minimaal één keer een
Dit wil echter niet zeggen dat het aantal unieke bezoeken bij culturele instellingen ook op het niveau van vóór de coronapandemie is: in 2024 faciliteerden
Dat het bereik van Nederlanders een andere trend laat zien dan de bezoekcijfers heeft ermee te maken dat het verschillende dingen zijn die worden gemeten: het bereik van een bepaalde cultuurvorm in binnen- en buitenland onder Nederlanders, is
Aandeel Nederlanders die een vorm van cultuur bezocht, 2012-2024
Aantal bezoeken per domein, 2012-2024
Film
Met name bij bioscopen en filmtheaters loopt het aantal bezoeken aanzienlijk terug: werden in 2019 nog 38 miljoen filmbezoeken afgelegd bij Nederlandse bioscopen en filmtheaters, komt dit in 2024 ruim 23 procent lager uit met 29,1 miljoen bezoeken (NVBF, 2025). In 2024 bezocht 62 procent van de Nederlanders tenminste één film in een bioscoop of filmtheater, in 2018 was dit 68 procent (de Hoog & Swartjes, 2026). Deze daling wordt mede veroorzaakt door een veranderd kijkgedrag onder de invloed van streamingdiensten en een selectievere houding van bioscoop- of filmhuisbezoekers (NVBF & NVPI, 2026). Over deze trend lees je meer op de domeinpagina Audiovisueel.
Musea
Het aantal museumbezoeken bij Nederlandse musea komt in 2024 uit op 32 miljoen bezoeken (CBS, 2025), nagenoeg gelijk aan een jaar daarvoor (31,9 miljoen in 2023). De groei na de coronapandemie lijkt daarmee echter te stagneren ruim onder het niveau van 2019: toen telden musea 33,9 miljoen bezoeken van binnen- en buitenlandse bezoekers (6 procent hoger dan in 2024). Met name het terugbrengen van buitenlandse bezoekers blijkt voor musea een uitdaging: alhoewel dit aantal bezoekers in 2024 met 2 procent groeide, is het met 8,7 miljoen bezoeken nog ruim 15 procent lager dan in 2019. Bezoeken van Nederlanders is in 2024 echter weer op een vergelijkbaar niveau met 2019. Dat wordt bevestigd door cijfers van de VTO: 57 procent van de Nederlanders bracht in 2024 één of meerdere bezoeken aan een musea (in het binnen- of buitenland), vergelijkbaar met 2018 (eveneens 57 procent). Een op de drie Nederlanders (32 procent) bezocht een museum voor geschiedenis en archeologie, 31 procent een museum voor kunst of vormgeving. Lees meer over actuele trends op het gebied van erfgoed en beeldende kunst op de domeinpagina’s Erfgoed en Beeldende kunst.
Bibliotheken
Nederlandse bibliotheken telde in 2024 59 miljoen bezoeken (KB, 2026), een stijging van 4 procent ten opzichte van een jaar eerder (56,7 miljoen in 2023). Ook hier geldt dat het aantal bezoeken lager is dan in 2019: toen telden bibliotheken 62,9 miljoen bezoeken (6,6 procent hoger dan in 2024). Twee op de vijf Nederlanders van 6 jaar en ouder (39 procent) bezocht in 2024 een bibliotheek, vergelijkbaar met 2018 (toen 40 procent) (de Hoog & Swartjes, 2026). De frequentie waarmee bibliotheken worden bezocht daalde wel licht: waar de helft van de bibliotheekbezoekers in 2018 zes bezoeken of meer bracht, is dit in 2024 45 procent. Toch is dit een zeer hoge bezoekfrequentie in vergelijking met andere domeinen. Dat heeft te maken met een relatief laagdrempelige toegang door nabijheid (gemiddeld 2 km), prijs (toegang is over het algemeen gratis en faciliteiten zijn vaak tegen een voordelige prijs beschikbaar ook voor niet-leden) en flexibiliteit (het tijdstip en de duur van een bezoek zijn zelf te bepalen). Lees verder over trends op het gebied van letteren op de domeinpagina Letteren.
Podiumkunsten
Het aantal bezoeken aan professionele podiumkunsten groeide in 2024 met ruim 10 procent tot 23,5 miljoen bezoeken. Daarmee stijgt het ruim boven het aantal van 2019 (19,4 miljoen) uit. Toch is het aantal bezoeken binnen dit domein lager dan andere domeinen. Dat heeft ermee te maken dat theaterbezoek zich, in tegenstelling tot bijvoorbeeld bibliotheken, minder goed leent voor een kort en frequent bezoek, doordat het vaak ticket gebonden is en een vaste locatie, tijdstip en duur kent. Dat maakt dat een relatief groot deel van de bevolking (67 procent in 2024) wel jaarlijks podiumkunsten bezoekt in vergelijking met andere domeinen, maar dat de frequentie, net als bijvoorbeeld bioscoopbezoek, lager ligt dan andere domeinen (de Hoog & Swartjes, 2026).
In 2024 bezocht ruim de helft van de Nederlanders één of meer muziekconcerten (52 procent) en een vergelijkbaar deel bezocht een voorstelling van
Verschillen in cultuurbezoek tussen bevolkingsgroepen
Het bezoeken van kunst en cultuur is ongelijk verdeeld over de bevolking (de Hoog & Swartjes, 2026). Deelname ligt hoger bij hbo/wo-opgeleiden, onder mensen met een hoger inkomen en neemt af met de leeftijd. Per domein en type activiteit zijn er sterke verschillen in de mate waarin groepen in de bevolking worden bereikt. In 2024 bezocht 34 procent van de Nederlanders met een vmbo-diploma een museum, tegenover 74 procent van de hbo/wo-gediplomeerden, ruim het dubbele.
Jongeren onder de 20 jaar behoren nog altijd tot de meest actieve cultuurbezoekers: in 2024 bezocht 96 procent van de 12 tot 19-jarigen minstens één culturele activiteit. Binnen deze leeftijdsgroep ligt het bezoek aan beeldende kunst en musea zelfs boven het landelijk gemiddelde. Tegelijkertijd zijn binnen deze groep ook verschuivingen zichtbaar: het aandeel jongeren van 12 tot 19 jaar dat een vorm van scenische podiumkunsten bezocht kwam in 2024 op 43 procent, waar dit in 2018 nog 58 procent was. Binnen andere leeftijdsgroepen ligt dit aandeel op of rond het niveau van 2018. Ook bij muziekconcerten en bioscoop en filmhuisbezoek ligt het aandeel in 2024 lager dan bij dezelfde leeftijdsgroep in 2018, al is de daling bij bioscoopbezoek niet uniek voor jongeren.
In de publicatie Cultuurparticipatie in Cijfers is meer gedetailleerde informatie te vinden over verschillen tussen bevolkingsgroepen bij cultuurbezoek per domein tussen 2012 en 2024.
Kunst- en cultuurbezoek per provincie
Bezoekcijfers per provincie laten zien dat de meeste bezoeken bij culturele instellingen plaatsvinden in Noord- en Zuid-Holland (respectievelijk 37,7 miljoen en 30,3 miljoen in 2024). Omgerekend in aantallen
Uit cijfers van het LISS-panel (Centerdata, 2025) blijkt dat het aandeel
Aantal bezoeken per capita bij culturele instellingen in de provincie 2024
Aandeel cultuurbezoekers onder de bevolking van de provincie in 2024
Beoefening
Algemene ontwikkelingen
Naast het bezoeken van kunst- en cultuur beoefent twee op de drie Nederlanders ook zelf een vorm van amateurkunst of erfgoed (68 procent) (de Hoog & Swartjes, 2026). Binnen het beoefenen van amateurkunsten (57 procent) zijn met name podiumkunsthobby’s populair (40 procent), gevolgd door het maken van beeldende kunst (32 procent). Dit zijn ook de domeinen waarbinnen de meeste frequente (maandelijks of vaker) beoefening plaatsvindt: waar 30 procent van de Nederlanders maandelijks of vaker een vorm van podiumkunsten beoefent is dit 20 procent voor de beoefening van beeldende kunsten.
Steeds meer onderzoek laat de waarde van actieve cultuurparticipatie zien, met name op het gebied van welzijn en zorg. Een studie die al deze onderzoeken samennam vatte de effecten samen op drie niveaus (Veldman et al., 2023):
- Fysiek en mentaal welzijn (bijvoorbeeld pijn, stress en angst);
- Sociaal en maatschappelijk (emotionele erkenning, zelfvertrouwen, verbondenheid);
- Cognitief functioneren (met name preventieve werking).
Opvallend uit de cijfers van de VTO is dat de meeste vormen van amateurkunstbeoefening over de jaren ongeveer gelijk blijven sinds de eerste meting uit 2012. Uit de Kennissynthese van het LKCA blijkt eveneens dat het aandeel van de bevolking dat amateurkunsten beoefent stabiel is (Goossens et al., 2025). Wel nam de beoefening in groepsverband (zoals zingen in een koor) tijdens de coronapandemie af, in tegenstelling tot meer solitaire vormen van beoefening (zoals het maken van beeldende kunst). Ondertussen is dit weer op een vergelijkbaar niveau met 2018.
Aandeel cultuurbeoefenaars onder de bevolking 2012-2024
Aandeel amateurkunstbeoefenaars per discipline in 2024
Aandeel maandelijkse (of vaker) beoefenaars per discipline in 2024
Voor 43 procent van de Nederlanders geldt dat zij niet aan de beoefening van amateurkunsten doen. Uit de monitor Amateurkunst uit 2023 blijkt dat de belangrijkste redenen daarvoor te maken hebben met een gebrek aan interesse of belangstelling, een gebrek aan tijd of het ontberen van talent of het gevoel niet creatief te zijn (Neele, 2023).
Naast amateurkunstbeoefening doen ook veel Nederlanders aan een vorm van erfgoedbeoefening zoals het doen van onderzoek, het verzamelen van voorwerpen of het in stand houden van tradities. En erfgoedbeoefening wint aan populariteit: twee op de vijf Nederlanders hield zich in 2024 bezig met een vorm van erfgoedbeoefening (40 procent). Dat is een significante toename ten opzichte van eerdere jaren (32 tot 36 procent). Met name het doen van onderzoek naar historische gebeurtenissen en personen (30 procent) en lokale en regionale geschiedenis (22 procent) werd in 2024 vaker gedaan dan in voorgaande jaren. Ook de monitor erfgoedbeoefening laat zien dat twee op de vijf Nederlanders aan erfgoedbeoefening doet (Burggraaff & Bergwerff 2025), van die groep beoefende 43 procent in groepsverband, een kwart via een vereniging of stichting (25 procent).
Verschillen tussen bevolkingsgroepen bij kunst- en erfgoedbeoefening
Kunst- en cultuurbeoefening in de vrije tijd wordt het meest gedaan door jongeren (onder de 20 jaar), vrouwen en mensen die HBO/WO- afgestudeerd zijn. Mensen die zijn geboren in een top-5 land blijken relatief minder te doen aan kunst- en cultuurbeoefening in de vrije tijd – in ieder geval waar het de vormen die worden meegenomen in de VTO betreft. Verschillende onderzoeken laten zien dat stimulans van ouders belangrijk is voor cultuurbeoefening – met name het opleidingsniveau van ouders draagt hieraan bij (Goossens et al., 2025).
De verdeling van kunst- en cultuurbeoefening over de Nederlandse bevolking staat onder de aandacht, met name door de meermaals aangetoonde positieve werking van cultuurparticipatie – en cultuurbeoefening (Goossens et al., 2025). In de Bestuurlijke afspraken 2025-2028 (tussen de minister van OCW, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Interprovinciaal overleg (IPO)) wordt benadrukt dat alle Nederlandse inwoners cultuur en erfgoed moeten kunnen beoefenen. Bovendien wordt er hierbij belang gehecht aan een breder cultuurbegrip, want er moet “ruimte zijn voor een breed scala aan culturele expressies, van gevestigde vormen van cultuurbeoefening tot nieuwe vormen van kunst en creativiteit” (Staatscourant, 2025). Monitoring vangt met name gevestigde vormen van kunst- en cultuurbeoefening – inzicht in cultuurvormen die nog niet in monitors (kunnen) worden meegenomen komt vooral uit meer theorievormend onderzoek (Goossens et al., 2025).
In de publicatie Cultuurparticipatie in Cijfers is meer gedetailleerde informatie te vinden over verschillen tussen bevolkingsgroepen bij verschillende vormen van amaterukunst- en erfgoedbeoefening tussen 2012 en 2024.
Amateurkunstbeoefening per provincie
Data vanuit het LISS-panel (Centerdata, 2025) maakt het aandeel amateurkunstbeoefenaars onder de bevolking van 16 jaar en ouder per provincie inzichtelijk. Deze data wijkt enigszins af van de bevraging in de VTO en focust zich met name op drie typen beoefening binnen de
Aandeel van de bevolking (16 en ouder) dat weleens beeldende kunst beoefende in 2025 (%)
Aandeel van de bevolking (16 en ouder) dat weleens een muziekinstrument bespeelde in 2025 (%)
Aandeel van de bevolking (16 en ouder) dat weleens toneel, musical of ballet beoefende in 2025 (%)
Consumptie
Algemene ontwikkelingen
Uit de rapportage Cultuurparticipatie in Cijfers (de Hoog & Swartjes, 2026) blijkt dat met name het kijken van films, series en documentaires (95 procent) en het luisteren naar muziek (94 procent) onder bijna alle Nederlanders weleens voorkomt. Ook het lezen (of luisteren) van boeken blijft zeer populair onder Nederlanders van 6 jaar en ouder (78 procent in 2024). Daarnaast zien we ook dat een nieuwere vorm van cultuurconsumptie, zoals gamen (57 procent) aan populariteit wint.
Uit de rapportage Cultuurparticipatie in Cijfers (de Hoog & Swartjes, 2026)
blijkt dat met name het kijken van films, series en documentaires (95 procent) en het luisteren naar muziek (94 procent) onder bijna alle Nederlanders weleens voorkomt. Ook het lezen (of luisteren) van boeken blijft zeer populair onder Nederlanders van 6 jaar en ouder (78 procent in 2024). Daarnaast zien we ook dat een nieuwere vorm van cultuurconsumptie, zoals gamen (57 procent) aan populariteit wint.
Het gemak waarmee cultuur wordt geconsumeerd gaat gepaard met hoge frequenties. Grote delen van de consumenten doen dit op dagelijkse basis: 77 procent van de muziekluisteraars, 44 procent van de kijkers van films/series/documentaires, 37 procent van de gamers en 27 procent van de lezers.
Daarbij is digitalisering een relevant onderwerp. De opkomst van streamingsdiensten voor het luisteren van muziek (71 procent), het kijken van films (77 procent), het lezen van e-books (28 procent) maakt deze vormen van cultuur steeds toegankelijker voor een groot publiek. Toch zijn traditionele media nog altijd populairder: zo leest 72 procent van de Nederlanders nog gedrukte boeken, luistert 85 procent van de Nederlanders naar (online) radio en kijkt 89 procent films, series en documentaires op TV.
Ook de populariteit van het kijken van online registraties van podiumkunsten (zoals concerten of toneelvoorstellingen) neemt toe: van 35-38 procent tussen 2020 en 2022 tot 52 procent in 2024. De frequentie waarin dit plaatsvindt is wel lager dan bij andere vormen van cultuur: 23 procent van de kijkers doet dit op wekelijkse basis of vaker.
Aandeel Nederlanders dat boeken, e-boeken en luisterboeken consumeerde
Aandeel Nederlanders per kijk- of luistermedium in 2024
Aandeel Nederlanders dat games of online cultuur consumeerde, 2020-2024
Verschillen cultuurconsumptie tussen bevolkingsgroepen
Het percentage Nederlanders dat cultuur consumeert verschilt sterk per vorm. Het luisteren van muziek en het kijken van films zijn breed verspreid onder alle delen van de bevolking. Bij lezen en gamen zijn duidelijker verschillen waar te nemen.
Uit de cijfers van de VTO blijkt dat lezen relatief populair is onder vrouwen, jongeren, hbo/wo-opgeleiden en mensen met een hoger inkomen. Met name onder jongeren is het aandeel lezers relatief hoog: 98 procent van de 6-11-jarigen en 80 procent van de 12-19-jarigen leest jaarlijks tenminste één boek. Toch betekent dit niet dat hun leesvaardigheid goed is. Uit leesonderzoek van KVB Boekwerk blijkt echter dat hoe ouder men is, hoe frequenter men leest (KVB Boekwerk, 2024). En uit het PISA-onderzoek blijkt dat de leesvaardigheid van 15-jarigen sterk is gedaald: één op de drie heeft onvoldoende leesvaardigheid. Nederland presteert zelfs onder het OESO-gemiddelde en behoort tot de slechtst scorende landen in Europa (Meelissen, et al., 2023). Lezen in de vrije tijd is een belangrijke factor voor het verhogen van de leesprestaties op school, bovendien helpt het in de ontwikkeling van algemene cognitieve vaardigheden (Leesmonitor, 2026). Ook het aantal mensen dat voor plezier leest, groeide van 48% in 2019 naar 55% in 2023 (Nagelhout et al. 2024, KVB Boekwerk 2024d). Ondanks zorgen over leesvaardigheid blijft lezen dus een belangrijke vrijetijdsbesteding.
Het luisteren van muziek en het kijken van films/series/documentaires is redelijk gelijk verdeeld over de bevolking (de Hoog & Swartjes, 2026). Alleen voor leeftijd en opleidingsniveau zijn er kleine verschillen zichtbaar. Hierbij geldt dat het aandeel muziekluisteraars en filmkijkers onder de groep van 65 jaar en ouder wat kleiner is dan in andere leeftijdsgroepen en dat de aandelen luisteraars en kijkers wat hoger zijn onder HBO- en WO opgeleiden. Ook blijken er verschillen naar herkomst met betrekking tot muziek luisteren: mensen geboren in een top 5 land of mensen geboren buiten Europa of een top 5 land luisteren minder muziek, ten minste wanneer ze dat doen via de radio, streamingsdiensten of uit de eigen collectie, dan mensen met een Nederlandse herkomst. Ondanks deze verschillen blijven deze vormen van consumpties breed gedragen.
Het spelen van games is populairder onder mannen (61 procent) dan onder vrouwen (53 procent). Met name het spelen via een gamecomputer of game-console is populairder onder mannen (51 procent) dan onder vrouwen (30 procent). Daarnaast is deze vorm van cultuurconsumptie populairder onder jongere groepen (94 procent van de kinderen tussen 6 en 11 jaar gamet, 91 procent van de jongeren tussen 12 en 19 jaar) dan onder ouderen (28 procent van de 65-plussers speelt weleens een game). Ook in de mediane inkomensgroep (62 procent) is het spelen van games relatief populair. Lees meer over de ontwikkelingen op het gebied van games op de domeinpagina Games.
In de publicatie Cultuurparticipatie in Cijfers is meer gedetailleerde informatie te vinden over verschillen tussen bevolkingsgroepen bij lezers tussen 2012 en 2024 en andere vormen van consumptie tussen 2020 en 2024.
Ondersteuning
Algemene ontwikkelingen
Naast bezoekers, beoefenaars en consumenten van kunst- en cultuur zijn er ook Nederlanders die de sector actief ondersteunen: bijvoorbeeld door donaties, vrijwilligerswerk of lidmaatschap van een vriendenvereniging. Uit Cultuurparticipatie in Cijfers blijkt dat met name het doneren van geld populair is: 19 procent van de Nederlanders doneerde in 2024 aan de kunst- en cultuursector in de vorm van een gift. Dit aandeel vertoonde tussen 2012 en 2022 een lichte daling: van 23 procent naar 17 procent. Volgens het tweejaarlijkse onderzoek Geven in Nederland doneerden huishoudens in 2022 58 miljoen euro aan de cultuursector (Bekkers, Koolen-Maas, & Schuyt, 2024). Het bedrag dat mensen doneren blijft daarbij nagenoeg gelijk. Op de pagina Cultuur en Geldstromen lichten we private bijdragen aan cultuur, waaronder ook vanuit huishoudens en nalatenschappen, verder toe.
Ook ondersteuning in de vorm van tijd is van groot belang voor het draaiende houden van de cultuursector (Van der Leden, 2024). Van de Nederlanders van 12 jaar en ouder was 10 procent in 2024 vrijwilliger bij een culturele instelling of evenement. Ondanks een lichte afname van vrijwilligerswerk tussen 2014 en 2020, stabiliseert het aandeel vrijwilligers tussen 2022 en 2024. Nederlanders die op deze manier het culturele veld ondersteunen deden dit in 2024 het vaakst bij festivals (14 procent), popmuziek (13 procent) en erfgoed en oude kunst (12 procent).
Tot slot neemt het aandeel Nederlanders dat lid is van een vriendenvereniging van een culturele instelling gestaag af: van 9 procent in 2012 naar 5 procent in 2024. Vriendenkringen staan binnen de cultuursector minder onder de aandacht en er zijn ook minder gegevens over beschikbaar dan de andere vormen van ondersteuning. Ook bij vriendenverenigingen gaat het om het doneren van geld door middel van een jaarlijkse donatie. Voor culturele instellingen is dit dan ook een manier om extra inkomsten te genereren en publiek aan zich te binden (lees meer op de themapagina Cultuur en Geldstromen).
Aandeel van de bevolking per type ondersteuning 2012-2024
Verschillen tussen bevolkingsgroepen in ondersteuning cultuur
Zowel het doen van vrijwilligerswerk als het lidmaatschap van een vriendenvereniging blijken met name populair onder Nederlanders in de pensioengerechtigde leeftijd (65 jaar en ouder) en onder hbo/wo-gediplomeerden. Volgens een rapport van Significant APE is het aandeel vrijwilligers van 65 jaar en ouder in 2024 toegenomen ten opzichte van 2017 (Bosma et al., 2024).
Ook het doneren van geld is relatief populair onder hogere leeftijdscategorieën (27 procent onder 65-plussers), hbo/wo-opgeleiden (24 procent), mensen uit niet-stedelijke gebieden (24 procent) en mensen met uit de hoogste inkomenscategorie (24 procent). Uit het onderzoek van Geven in Nederland blijkt dat mensen met een mavo-/vmbo- of lagere opleiding gemiddeld hogere bedragen geven aan cultuur dan mensen die een mbo/havo/vwo of hogere opleiding hebben afgerond (Bekkers, Koolen-Maas, & Schuyt, 2024).
In de publicatie Cultuurparticipatie in Cijfers is meer gedetailleerde informatie te vinden over verschillen tussen bevolkingsgroepen bij ondersteuning van cultuur tussen 2012 en 2024.
Wat willen we nog meer weten?
In de Vrijetijdsomnibus (VTO) wordt tweejaarlijks gemeten welk deel van de Nederlanders wordt bereikt met bepaalde vormen van cultuur. De Boekmanstichting is samen met het CBS en het ministerie van OCW verantwoordelijk voor het opstellen van de vragenlijst. Daarbij zetten we in op een zo breed mogelijk begrip van cultuur, dat meebeweegt met het culturele leven in Nederland. Om beter te kunnen begrijpen welke factoren van invloed zijn op deelname aan kunst- en cultuur is het van belang meer zicht te krijgen op motivaties en omstandigheden van bezoekers en niet-bezoekers.
Daarnaast zet de Boekmanstichting zich in om resultaten beter te vertalen naar de regionale context. Dit doen we deels via regionale monitoringsinitiatieven, zoals de Waarde van Cultuur Noord-Brabant, Cultuur- en Erfgoedmonitor Gelderland en de Cultuurmonitor Zeeland. Met de kennis uit die projecten kunnen we de dataverzameling waar mogelijk beter aansluiten op de lokale informatiebehoeften. Daar zetten we ons doorlopend voor in.
Meer weten over het thema Cultuur en participatie?
Bekijk meer data over het thema Cultuur en Participatie in Dashboard van de Cultuurmonitor.
Meer lezen over cultuur en participatie? In de Kennisbank van de Boekmanstichting zijn aanvullende publicaties te vinden rondom het thema.
Op het gebied van actieve participatie en cultuuronderwijs is veel informatie te vinden op de website van het LKCA: het Landelijk Kenniscentrum Cultuureducatie en Amateurkunst.
Bronnen
Figuren
Swartjes, B. en T. de Hoog (2024) Cultuur en participatie. Op: www.cultuurmonitor.nl, 2 september.
CBS (2025a) Professionele podiumkunsten; capaciteit, voorstellingen, bezoekers, regio. Op: opendata.cbs.nl, 18 februari.
CBS (2024) Musea; collectie, bezoeken, tarieven, tentoonstellingen, werkgelegenheid. Op: opendatacbs.nl. 23 december.
KB en CBS (2024) Dashboard Bibliotheekstatistiek . Op: www.bibliotheeknetwerk.nl, 12 september.
NVBF (2023) Jaarverslag NVBF. NVBF.
Neele, A. (2024) Verenigingsmonitor 2024 : Verenigingen voor kunstbeoefening in cijfers. LKCA: Utrecht.
Bronnen
Ateca-Amestoy, V. en J. Preito-Rodrigues (2023) Whether Live or Online Participation is Unequal: Exploring Inequality in the Cultural Participation patterns in the United States, American Behavioral Scientist, 68(1)1-20. DOI: 10.1177/00027642231177655
CBS (2024) Vrijwilligerswerk 2023. Op: www.cbs.nl, 23 april.
Dee, A. en B. Schans (2022) Poppodia- en Festivals in Cijfers 2022. Amsterdam: VNPF.
Engelshoven, I. van.(2019) Uitgangspunten cultuurbeleid 2021-2024. Den Haag: Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
Goedhart, M., J. Michael, en M. Verhagen (2020) ‘Thema Cultuur en participatie’. In: Cultuurmonitor Jaarrapportage 2021. Amsterdam: Boekmanstichting, 143-164.
Goossens, L., A., Neele,, W. Burggraaf, P. Faber, en L. Herschoe (2024) Kennissynthese cultuurbeoefening : een verzameling van tien jaar Nederlands onderzoek. Utrecht: LKCA.
Hove, R. en C. Krosse (2024) Nederlands Vrijetijdsonderzoek 2022/2023. I&O Research: Amsterdam.
KVB Boekwerk (2022d) ‘Hoe leesgedrag is veranderd door corona’. Op: www.kvbboekwerk.nl, 2 juni.
KVB Boekwerk (2022e) ‘Leesfrequentie stabiel sinds corona’. Op: www.kvbboekwerk.nl, 1 juli.
KVB Boekwerk (2023b) ‘Meer Nederlanders lezen na coronaperiode dan daarvoor’. Op: www.kvbboekwerk.nl, 23 maart.
KVB Boekwerk (2023d) ‘Klantreis 2023: de rol van TikTok en duurzaamheid’. Op: www.kvbboekwerk.nl, 1 december.
KVB Boekwerk (2024c) Wie is de lezer: 2023. Op: www.kvbboekwerk.nl, 14 maart.
KVB Boekwerk (2024d) ‘Merendeel boekenkopers laag- of middenopgeleid’. Op: www.kvbboekwerk.nl, 27 juni.
Leesmonitor (2023c) ‘Lezen minder in trek dan andere media-activiteiten’. Op: www.lezen.nl, 9 oktober.
Leesmonitor (2024d) ‘Leesplezier daalt met leeftijd’. Op: www.lezen.nl, 9 april.
Meelissen, M. et al. (2023) Resultaten PISA-2022 in vogelvlucht. Enschede: Universiteit Twente.
Meulen, K. van der (2021) Onlinepubliek is een volwaardig publiek’. In: Boekman. Amsterdam: Boekmanstichting, 24-29.
Nagelhout, E., C. Richards, en L. Qing (2024) Boeken lezen, lezen en kopen. Reguliere meting 2024 (meting 67). Bilthoven: Stichting Marktonderzoek Boekenvak.
Neele, A. (2023) Kunstzinnig en creatief en muzikaal in de vrije tijd. Monitor amateurkunst 2023. Utrecht: LKCA.
Neele, A. (2024) Verenigingsmonitor 2024: verenigingen voor kunstbeoefening in cijfers. Utrecht: LKCA.
OCW (2024) Beleidsindicatoren Cultuur en Media 2024 | Begroten en verantwoorden | OCW in cijfers. Op: www.ocwincijfers.nl, z.j.
Raad voor Cultuur (2024) Toegang tot cultuur : op weg naar een nieuw bestel in 2029. Den Haag: Raad voor Cultuur.
Siebe Weide Advies (2022) Schets van toekomstige samenwerking in het delen van publieksdata in de cultuursector. Den Haag: DEN.
Swartjes, B. en T. de Hoog (2024) Cultuur en participatie. Op: www.cultuurmonitor.nl, 2 september.
Uslu, G. (2023) Uitgangspunten cultuursubsidies 2025-2028. Den Haag: Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
Veldman, J., S. Maltha, N. Nederlof, N. Van Sambeek, P. Verhagen, en R. Te Velde (2023) Onderzoek naar multipliereffecten en pay-off effecten in de culturele en creatieve sector. Dialogic.
VNG (2024) Samen cultuur borgen : propositie van gemeenten. VNG
Verantwoording tekst en beeld
Redactie: Een eerdere versie van deze pagina is geschreven door Britt Swartjes.
Beeld: Oerol 2022 / Fotografie: Lisa Maatjens.