Cultuur in 2021: vijf trends

Wat speelde er in het jaar 2021 in de Nederlandse cultuursector? In dit hoofdstuk behandelen we vijf opvallende trends en brengen we domeinoverstijgende ontwikkelingen vanuit de verschillende rapportages samen.

Auteurs: Rogier Brom, Thomas van Gaalen, Janna Michael en Shomara Roosblad

Introductie

Sinds maart 2020 heeft de voortdurende coronapandemie een ongeëvenaard effect op de samenleving en daarmee ook op het culturele leven. Als gevolg van de maatregelen die de overheid heeft genomen om de verspreiding van het virus tegen te gaan, doen zich zware verliezen voor in inkomsten en publieksbereik en treden er verschuivingen binnen het aanbod op. Er manifesteren zich echter ook kansen, met name in het digitale domein. Naast deze directe impact heeft de pandemie ook ontwikkelingen die al langer in de cultuursector spelen scherper in het daglicht gesteld. Het gaat hierbij niet alleen om economische kwesties zoals de precariteit van de culturele en creatieve arbeidsmarkt, maar ook om vraagstukken als diversiteit en inclusie, cultuurparticipatie en de mogelijkheden voor digitalisering.

De cultuursector ziet verliezen, verschuivingen en kansen als gevolg van de coronacrisis 

De culturele en creatieve sector kon in 2020 en 2021 vanwege de coronapandemie en de maatregelen ter beperking van de verspreiding van het virus veel minder fysiek publiek bereiken. Zo waren er in 2020 ten opzichte van 2019 liefst 60 procent minder museumbezoeken (Museumvereniging 2021), ontvingen poppodia en popfestivals 87 procent minder publiek (Dee et al. 2021) en was er 56 procent minder bezoek in bioscopen en filmtheaters (Groot 2021). Deze daling aan bezoeken heeft grote gevolgen voor de maatschappelijke waarde die de culturele sector kan realiseren (Raad voor Cultuur 2021). Gezien de aanhoudende beperkingen en de terughoudendheid bij een deel van het publiek moet ook voor 2021 gevreesd worden voor een zeer grote terugval in de bezoekcijfers. Dit zorgt voor enorme inkomstenverliezen voor de creatieve en culturele sector. De Taskforce culturele en creatieve sector schat voor 2020 het verlies aan publieks- en zakelijke inkomsten voor de sector op 2,6 miljard euro (Taskforce culturele en creatieve sector 2020). Een in de zomer van 2021 uitgebrachte schatting van de Taskforce voor 2021 liet een verwacht verlies van publieksinkomsten van bijna 2,8 miljard euro in vergelijking met 2019 zien (Taskforce culturele en creatieve sector 2021). De aangescherpte beperkingen van november 2021 zijn hier nog niet eens in verwerkt.

Om de door de coronacrisis financieel zwaar getroffen organisaties en bedrijven te steunen, heeft het kabinet in 2020 en 2021 generieke steunmaatregelen opgesteld, waarop ook instellingen in de culturele en creatieve sector een beroep hebben gedaan. Uit de beschikbare cijfers blijkt dat de culturele en creatieve sector in 2020 1,45 miljard euro aan generieke steunmaatregelen (Engelshoven 2021a) heeft ontvangen waarbij de TOZO-steun buiten beschouwing is gelaten. Specifiek om makers, instellingen en ondernemingen in de culturele sector te ondersteunen, heeft het kabinet daarnaast in 2020 en 2021 ruim 1,7 miljard euro aan specifieke subsidies, leningen en een garantiefonds beschikbaar gesteld (Engelshoven 2021a). Een deel van deze steun bestond uit aanvullende subsidies aan meerjarig door het rijk gesubsidieerde, producerende instellingen. Hiernaast was er ook specifieke steun voor makers en verschillende deelsectoren, onder meer voor vrije (theater)producenten, monumenten, musea, film, en letteren als ook initiatieven op het gebied van cultuurparticipatie en amateurkunst. De Rijkscultuurfondsen ontwikkelden hiertoe specifieke steunmaatregelen voor de diverse werkvelden binnen de culturele sector. Daarnaast stelde het rijk aan de gemeenten middelen beschikbaar voor de lokale culturele infrastructuur. Opgeteld ontving de culturele en creatieve sector in 2020 en 2021 vanuit het rijk circa 3,1 miljard aan generieke en specifieke steun (berekening gebaseerd op Engelshoven 2021a) zonder dat hier alle steunpakketten voor 2021 mee gerekend zijn. Daarnaast sprongen gemeenten en provincies ook met eigen programma’s en regelingen de culturele sector te hulp. Daarmee wordt de verwachte inkomensderving voor een deel, maar zeker niet volledig gecompenseerd.

Veel gesubsidieerde instellingen konden met hulp van de uitgebreide steunmaatregelen in 2020 nog zwarte cijfers schrijven (Goudriaan et al. 2021; Schrijen 2021; Dee et al. 2021) maar het rapport Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund laat ook zien waar de gaten vallen. Culturele organisaties bezuinigden in 2020 gemiddeld 55 procent op zzp’ers tegenover een bezuiniging van 3 procent op hun personeel in loondienst (Goudriaan 2021).

De coronapandemie kan op lange termijn grote implicaties hebben voor het culturele leven. De Raad voor Cultuur wijst op het grote adaptatie- en innovatievermogen van culturele instellingen (in de BIS) maar signaleert tegelijkertijd een mentale overbelasting door de vele onzekerheden en aanpassingen die de crisistijd van de medewerkers vraagt (Raad voor Cultuur 2021). Verder klinken er geregeld waarschuwingen dat betaalde krachten de sector verlaten en ook vrijwilligers niet meer beschikbaar zijn (Waarlo 2021; Museumvereniging 2021).

Hoe kan de cultuursector van deze crisis herstellen? In het meest recente advies hierover schetst de Raad voor Cultuur een onzeker speelveld waarin de culturele sector zich de komende tijd voor grote uitdagingen geplaatst ziet op het gebied van (digitale) innovatie, herstel van het publieksbereik en relatie tussen afnemers (zoals podia) en aanbieders (bijvoorbeeld podiumproducenten). De Raad stelt dat de sector tijd en gelegenheid nodig heeft ‘om wendbaar en weerbaar uit de huidige crisis te komen’. Hierbij noemt hij enkele voorwaarden die hieraan bijdragen waaronder de mogelijkheid om middelen uit steunmaatregelen ook de komende jaren in te kunnen zetten, en voldoende tijd en handelingsvrijheid voor zowel financieel als mentaal herstel van de crisis. Bovendien ziet hij de gelegenheid om tijdens de pandemie ingezette innovaties verder uit te bouwen als een belangrijke kans (Raad voor Cultuur 2021). Zo werden er via livestreams nieuwe culturele mengvormen tussen bijvoorbeeld theater en film (Janssens 2021) en games en concerten verkend (zie domein Muziek).

In haar schets van een herstelplan voor de sector besteedt minister Van Engelshoven aandacht aan kansrijke ontwikkelingen. Daarbij focust zij op de digitale transformatie: ‘De urgentie in de sector voor een digitale transformatie naar een hybride werkpraktijk is gegroeid’ (Engelshoven 2021b). De minister stelt daarom extra middelen beschikbaar voor innovatielabs via de Rijkscultuurfondsen en voor het ontwikkelen van de digitale infrastructuur, proeftuinen en deskundigheidsbevordering. Verder stelt zij voor om bestaande structurele knelpunten aan te pakken. Als knelpunten noemt zij ‘de verbinding met het publiek, beoefenaar en vrijwilligers’, ‘de arbeidsmarktpositie van werkenden in de sector’ en ‘de ruimte bij makers en organisatoren om te herstarten en te investeren’ (Engelshoven 2021b). Het doel is echter niet alleen herstel van de cultuursector: Van Engelshoven maakt ook duidelijk dat we ‘een sterke en kwalitatief hoogwaardige culturele sector nodig hebben om bij te dragen aan het mentaal en maatschappelijk herstel van Nederland’ (Engelshoven 2021b, 2).

De gevolgen van de coronacrisis behoeven toekomstige monitoring zodat actueel zicht blijft ontstaan op de ontwikkeling van aanbod, publiek, inkomsten en arbeidsmarkt. Het zal hoe dan ook nog geruime tijd duren voordat er weer een meer stabiel perspectief is voor makers, het publiek weer terugkomt, cultuureducatie en -participatie weer onbekommerd kan plaatsvinden en ook in andere opzichten werkprocessen, evenementen en financiering weer enige voorspelbaarheid en daarmee planbaarheid bereiken.

Een sterk bewegende culturele arbeidsmarkt

Schaalverkleining en gedeelde belangen

Veel van de berichtgeving rondom de arbeidsmarkt binnen de culturele en creatieve industrie gaat over zzp’ers. In 2020 voerde 63 procent van degenen die in Nederland werkzaam waren als kunstenaar deze werkzaamheden uit als zelfstandige, tegenover een Europees gemiddelde van 46 procent (Eurostat 2021). Dit percentage is al jaren ongeveer gelijk en – sinds het vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de EU – hoger dan in elk ander land binnen de EU. Het percentage geldt echter niet voor de culturele arbeidsmarkt als geheel, waarin immers naast kunstenaars ook anderen werkzaam zijn. Deze gehele arbeidsmarkt groeit, in ieder geval al sinds 2008, waarbij het aantal zelfstandigen harder groeit dan het aantal banen. In 2018 werd 46 procent van de banen in de creatieve industrie door zelfstandigen uitgevoerd, waar dit in 2008 nog een kwart was (Rutten et al. 2019).

Verschillen tussen onderdelen van de sector

De totale culturele en creatieve industrie is op te delen in drie deelsectoren: kunsten en cultureel erfgoed, media en entertainment en creatieve zakelijke dienstverlening. Het aantal banen en de stijging daarin is bij deze drie deelsectoren gelijk verdeeld (CBS 2021a). Het aantal zelfstandigen steeg tussen 2010 en 2019 echter sterker in de deelsector kunsten en cultureel erfgoed, waar sowieso al de meeste zelfstandigen werkten (figuur 1). Overlappend met de eerder genoemde Eurostatdata, is bij de uitvoerende beroepen binnen de beoefening van podiumkunsten tussen 2010 en 2019 te zien dat het aantal banen met 11 procent afnam terwijl het aantal zelfstandigen met 89 procent toenam. Binnen de scheppende kunst is echter een veel minder sterke stijging in het aantal zelfstandigen te zien (31 procent) en neemt het aantal banen juist ook toe (14 procent).

Onder invloed van corona maken verschillende onderdelen binnen de culturele arbeidsmarkt onderling sterk verschillende ontwikkelingen door. Deze effecten zijn onder andere te zien bij de dienstverlening voor uitvoerende kunst. Tussen 2010 en 2019 steeg het aantal banen hier met 27 procent, maar in 2020 viel het sterk terug tot 85 procent van het aantal in 2010. Bij de musea was tot en met 2019 een vergelijkbare stijging in het aantal banen te zien, maar dit aantal bleef in 2020 stabiel. Binnen het industrieel design verdubbelde het aantal banen tot 2019 zelfs ruim om in 2020 gelijk te blijven, het aantal zelfstandigen steeg hier tot 2019 met 168 procent (CBS 2021a).

Verdeling zelfstandigen in de culturele en creatieve sector over deelsectoren

Onderstaande visualisatie toont hoe de verdeling van alle zelfstandigen in de culturele en creatieve sector over deelsectoren is veranderd tussen 2010 en 2019.

Bron: CBS

Corona en collectiviteit

De sterk toegenomen aanwezigheid van zelfstandigen zorgde tijdens de coronacrisis voor de nodige uitdagingen met betrekking tot de steun. Instellingen zijn met de generieke en specifieke steun veelal overeind gehouden, vooral als er al een bestaande subsidierelatie was. Dat heeft echter niet kunnen voorkomen dat de instellingen op kosten moesten besparen, waarbij de inzet van zelfstandigen gemiddeld voor meer dan de helft werd teruggeschroefd (Goudriaan et al. 2021). In de ondersteuning van zelfstandigen zelf bleek het bovendien moeilijk om goed aan te sluiten op de praktijk (Goudriaan et al. 2021, Platform ACCT 2021).

Thijs Lijster vergelijkt de positie van de huidige zzp’er met die van de 19de-eeuwse dagloner, met vergelijkbare kwetsbaarheid door de afhankelijkheid van werk zonder daar veel zeggenschap over te hebben (Lijster 2019). Een sterkere collectieve positie lijkt dan ook aan te raden. Toch is slechts een kwart van de kunstenaars die als zelfstandige werken lid van een belangenorganisatie, tegenover 39 procent van alle zelfstandigen (CBS 2021b). Als belangrijkste reden wordt hiervoor gegeven dat er nooit serieus is nagedacht over lidmaatschap, maar daarnaast bestaat er bovengemiddeld vaak het idee dat vakbonden geen invloed hebben op de arbeidsvoorwaarden (Ibid.). Ook beschikken zzp’ers in de culturele sector van alle zzp’ers het minst over een arbeidsongeschiktheidsverzekering (CBS 2018).

Tegelijkertijd werken kustenaars als zelfstandige vaker dan andere zelfstandigen samen met zelfstandigen uit het eigen netwerk en maken ze steeds vaker gebruik van broodfondsen (CBS 2021b, Meulen 2019). Bovendien worden de mogelijkheden voor het inzetten van honorariumrichtlijnen en een sterkere collectieve onderhandelingspositie in toenemende mate verkend, mede gestimuleerd door Platform ACCT. Daarbij lijkt een collectiviteit gezocht te worden die een individuele praktijk niet in de weg zit en aansluit bij de plek in de culturele keten.

De cultuursector herdefinieert zijn functie in de maatschappij

Waar de beeldvorming rond de culturele sector lang draaide om het personage van de autonome, op individuele expressie gerichte kunstenaar, lijkt de op maatschappelijk engagement ingestelde maker de laatste jaren steeds meer een hoofdrol op te eisen. Deze trend speelt al langer – maar ook het afgelopen jaar werd weer duidelijk dat maatschappelijk engagement in elk domein en op verschillende niveaus – van beleid tot beroepspraktijk – aan terrein wint. Zoals uit het hoofdstuk design en architectuur blijkt, spelen duurzaamheid en klimaat in die domeinen een steeds belangrijkere rol. In hun poging bij te dragen aan groene transities proberen architecten en ontwerpers een brug te slaan naar de rest van de samenleving. Er wordt in toenemende mate ingezet op samenwerkingen tussen makers, bewoners, onderzoekers en bedrijven om een toekomstbestendige leefomgeving te realiseren. Maar ook games, beeldende kunst en muziek richten zich, zoals blijkt uit de betreffende hoofdstukken, steeds vaker op maatschappelijke kwesties. Games richten zich, naast het bieden van entertainment, in toenemende mate op maatschappelijke problemen en thema’s die in de echte wereld spelen, en beeldende exposities behandelen issues als klimaatverandering en ongelijkheid (zie domein Games; Platform BK). De erfgoedwereld is intussen in de weer met duurzaamheid en het actief faciliteren van publiek debat over omstreden erfgoed (domein Erfgoed; kennisagenda immaterieel erfgoed). De muziekindustrie gaat aan de slag met de eigen ecologische footprint en reflecteert op het reisgedrag. Daarnaast proberen verschillende initiatieven in de muzieksector genderverschillen aan te kaarten (domein Muziek). De omgang met het klimaat komt ook aan bod in nieuwe theaterproducties (Kooke 2019) en het literaire genre van klimaatfictie (of cli-fi) is in opkomst (Uchelen 2021).

Maar waar komt deze opleving van de maatschappelijk geëngageerde invulling van het kunstenaarschap eigenlijk vandaan? Ten eerste ervaren jongere generaties klimaatverandering als een steeds prangendere opgave (O’Brien et al. 2018). Ook tekenen jongeren de afgelopen jaren in toenemende mate protest aan tegen verschillende facetten van maatschappelijke ongelijkheid (Moes 2019). Jonge makers laten in dit verband ook van zich horen (Sanz-Hernández et al. 2021). Ten tweede is de maatschappelijke rol die steeds vaker aan de kunsten wordt toegekend onderdeel van recente politieke discussies over de waarde van cultuur (Schrijvers et al. 2015; Peters et al. 2020). Lang ging het Westerse beeld van de ‘kunstenaar’ gepaard met een nadruk op autonomie, individuele expressie en eigenheid (Shiner 2003). Sinds de eeuwwisseling wordt er in West-Europese landen – en in Nederland in het bijzonder sinds kabinet Rutte i – echter vanuit de politiek sterker gehamerd op een economisch ingestelde cultuursector. Die ontwikkeling heeft de vanzelfsprekendheid van het ideaal van autonome expressie onder druk gezet. Het aanhalen van maatschappelijk engagement fungeert daarentegen – zowel in beleid als onder makers – meer en meer als een productieve manier om de waarde van de kunsten te legitimeren zonder uitsluitend het economische te benadrukken. Wat dat betreft vormt maatschappelijk engagement een potentiële derde weg tussen economische relevantie en autonome expressie (Peters et al. 2020).

De precieze invulling van de maatschappelijke waarde van cultuur met inbegrip van de autonome ruimte die kunst toekomt blijft een belangrijk thema in de culturele sector. Met het project KUNSTEN2030 verkent Kunsten ’92 momenteel voorstellen om tot een duurzame, robuuste en maatschappelijk betrokken culturele sector te komen (Kunsten ’92 2020). Instellingen en verenigingen leggen ondertussen steeds meer nadruk op impactonderzoek om hun maatschappelijke invloed in kaart te brengen (Raad voor Cultuur 2020a). De vraag blijft daarbij wel wélke impact er precies moet worden gemeten – en hoe je deze impact vervolgens verbreedt.

De cultuursector maakt werk van diversiteit en inclusie: hoe ver is de sector in 2021?

Cultuur is van ons allemaal en viert wie wij als samenleving vandaag de dag zijn. De Nederlandse cultuursector zou daarom ook een afspiegeling moeten zijn van alle Nederlanders, en voor iedereen toegankelijk. Deze breed gedragen opvatting binnen de sector wordt ook vanuit het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap gecommuniceerd aan de samenleving. Maar in werkelijkheid is deze ambitie anno 2021 nog steeds niet gerealiseerd. Vanuit publiek, het veld, en beleidsmakers klinkt het geluid dat de Nederlandse cultuursector te wit en te veel voor hoogopgeleiden en welgestelden is. Management- en directiefuncties worden vaak nog door witte mannen bekleed (Borg 2020). En hoewel er veel instellingen zijn die graag verandering willen zien, blijft het in praktijk moeilijk. Diversiteit en inclusie krijgen echter wel steeds meer aandacht door middel van de media en tijdens debatevenementen. De cultuursector lanceerde in 2019 de Code Diversiteit en Inclusie. Deze code is inmiddels opgenomen in de Regeling op het specifiek cultuurbeleid. En de gedragscode geldt sinds dit jaar als ‘absolute weigeringsgrond’ in de beoordeling van subsidieaanvragen van overheden, de zes Rijkscultuurfondsen en het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Raad voor Cultuur 2020b).

Diversiteit en inclusie in de cultuursector kennen verschillende aspecten. Zo is er aandacht voor culturele achtergrond, gendergelijkheid, sociaaleconomische status, de LHBTIQ+ gemeenschap, personen met een fysieke en/of functionele beperking en leeftijd. De Cultuurmonitor signaleert deze overkoepelende trend in meerdere domeinen. De architectuursector zet zich in voor gendergelijkheid middels Mevr. De Architect, een podium voor vrouwelijke architecten van online architectuurplatform A.Zine. Het jaar 2020 zag de lancering van KLEUR, een initiatief dat meer diversiteit en inclusie in de Nederlandse televisie- en filmindustrie stimuleert. In hetzelfde jaar kwam Musea Bekennen Kleur tot stand, een organisatie die is gestart met dertien musea en als doel heeft ‘erfgoedinstellingen duurzaam te verenigen in hun streven om diversiteit en inclusie te verankeren in het DNA van de erfgoedsector’. Een jaar later hebben zich twintig nieuwe musea en erfgoedinstellingen bij de organisatie aangemeld.

Ook de theatersector zet in op meer diversiteit en inclusie met het stimuleringsprogramma Theater Inclusief. Het programma streeft ernaar de theatersector meer een representatie van de Nederlandse samenleving te laten worden door onder andere in te zetten op het vertellen van diverse verhalen. De game-industrie kent het initiatief Games [4Diversity] en de toenemende aandacht voor diversiteit en inclusie is er een van de belangrijkste trends in 2021. In de onafhankelijke muzieksector maakt koepelorganisatie STOMP werk van diversiteit en inclusie middels het steunen van de IMPALA Diversity & Inclusion charter en onderzoek naar diversiteit onder de eigen leden.

Terwijl deze voorbeelden vanuit de Cultuurmonitor laten zien dat er veel gebeurt om de diversiteit en inclusie van de cultuursector te vergroten, blijft het lastig om de stand van zaken te meten, aangezien het nog aan data en indicatoren ontbreekt. Gegevens verzamelen wordt bemoeilijkt doordat het onderzoek vraagt naar persoonsgegevens die zijn beschermd in de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Ook wordt het steeds moeilijker om bijvoorbeeld de culturele achtergrond van een persoon te meten, omdat met de tijd meerdere generaties van personen met een bi-culturele achtergrond in Nederland zijn geboren en deze zich bijvoorbeeld helemaal niet identificeren met het begrip ‘niet-westers’. Het CBS heeft, aangemoedigd door recente maatschappelijke discussies over de houdbaarheid van de termen ‘westers’ en ‘niet-westers’, aangekondigd deze indeling vanaf 2022 geleidelijk te veranderen naar een indeling van de bevolking naar herkomst (zie thema Diversiteit en Inclusie).

Het goede nieuws is dat er onder andere dankzij de eerdergenoemde initiatieven ontwikkeling zichtbaar is binnen verschillende domeinen. Het blijft echter de vraag in hoeverre deze recht doet aan de behoefte aan vernieuwing. In 2020, mede in antwoord op het internationale debat rondom de Black Lives Matter-beweging in de Verenigde Staten, verschenen er ook in de Nederlandse media artikelen en open brieven gericht aan de cultuursector. Dit laat zien dat er nog veel werk is te verrichten op dit thema. De sector is er nog lang niet. En om inzicht te verkrijgen in hoeverre de ambities worden verwezenlijkt, is er meer overleg en inzet nodig om dit via monitoring en onderzoek te toetsen.

 Cultuurparticipatie is voorlopig naar een onlineomgeving verschoven en sociale ongelijkheid blijft relevant

Sinds het moment waarop culturele instellingen hun deuren vanwege de maatregelen tegen het toen nieuwe coronavirus moesten sluiten, is er een bloei aan online cultureel aanbod: er werden poëzie- en muziekfestivals online gehouden, ateliers online toegankelijk gemaakt, en online theater gestreamd.

Digitaal cultuurbezoek

Onderstaande figuur toont welk deel van de Nederlandse bevolking van 12 jaar en ouder digitale vormen van cultuurbezoek in 2020 ten minste één keer heeft uitgevoerd.

Bron: Boekmanstichting/OCW/CBS

Uit de Vrijetijdsomnibusenquête 2020- 2021 blijkt dat het fysieke bezoek duidelijk omlaag is gegaan in vergelijking met 2018. Terwijl in 2018 nog 53 procent van de respondenten aangaf ten minste een kunstbezoek te hebben gedaan, was dat in 2020 35 procent. Het bezoek aan podiumkunsten ging terug van 73 procent naar 46 procent en bezoek aan erfgoed (zoals historische musea, archieven en historische steden) daalde in 2020 van 66 procent naar 44 procent. In feite daalde het bezoek in alle domeinen waarin fysieke aanwezigheid een rol speelt.

Nadat beoefening van cultuur in de vrije tijd tussen 2012 en 2018 vrij stabiel was (Broek 2021), is voor 2020 een lichte, maar significante daling te constateren. Zo is het aandeel van Nederlanders dat aan beoefening van volks- of werelddans, zingen, toneelspelen, schrijven en zelf film maken doet, significant omlaag gegaan. Het opzoeken van regionale en persoonlijke geschiedenis is daarentegen stabiel gebleven. Opvallend is de grote sociale ongelijkheid in cultuurbezoek en, in iets mindere mate cultuurbeoefening. Zo zien we significante verschillen qua leeftijd (jongeren neigen meer naar beoefening), culturele achtergrond en opleidingsniveau van respondenten, en ook het opleidingsniveau van hun ouders speelt daarbij een rol (zie Cultuur en participatie voor en uitgebreidere analyse van deze trends).

Gezien de lockdowns en beperkte mogelijkheden voor fysieke cultuurparticipatie, is het geen verrassing dat het spelen van games (zie domein Games) en het thuis streamen van films en muziek populair waren. Ook lezen bleef volgens de Vrijetijdsomnibus (VTO) gegevens stabiel. Alhoewel het percentage lezers licht omlaag ging (van 79 procent in 2018 naar 77 procent in 2020), is hier geen sprake van een significant verschil (VTO 2020-2021).

Wel brachten veel mensen een digitaal bezoek aan culturele instellingen. 35 procent van de Nederlanders gaf aan in 2020 ten minste één voorstelling via internet te hebben gezien (zie figuur 2) (VTO 2020-2021). Ook gebruikte 78 procent van de Nederlanders media om over cultuur te lezen of te horen. Verder keek 17 procent online naar beeldende kunst en 14 procent naar een online museumcollectie of tentoonstelling. 20 procent van de respondenten deelde berichten, foto’s of filmpjes over hun culturele hobby’s op sociale media of via internet. Vanwege het ontbreken van data over eerdere jaren is helaas geen vergelijking mogelijk. Wel is duidelijk, dat een aanzienlijk deel van de mensen in Nederland in 2020 het cultuuraanbod online heeft gevonden, ook al zijn deze cijfers nog laag in vergelijking met fysieke bezoeken.

Wat betekent de grote populariteit van online cultuur voor organisatoren van fysieke tentoonstellingen, theatervoorstellingen en andere evenementen? Instellingen zien het online aanbod met livestreams vooralsnog vooral als aanvulling om publiek te bereiken, maar niet als vervanging (zie domein Muziek). Terwijl het aanbod door digitale en hybride vormen verrijkt is, zijn verdienmodellen van deze online activiteiten nog onduidelijk (zie domein Theater). Het is ook nog onduidelijk wanneer en of het fysieke, live publieksbereik van voor de coronacrisis weer bereikt kan worden terwijl er hoop is dat digitale cultuuruitingen ook wegbereider voor live publiek kunnen zijn (Raad voor Cultuur 2021). Wel is duidelijk dat online evenementen door een groot deel van het publiek anders beleefd worden dan fysieke evenementen en geen gelijkwaardige vervanging van fysieke bijeenkomsten bieden: terwijl bijvoorbeeld dancemuziek livestreams nog wel het gevoel kunnen geven deel van een gemeenschap uit te maken, haalt deze ervaring het niet bij de sterke gevoelens van collectieve energie en verbondenheid bij een fysiek evenement (Vandenberg et al. 2020). Een ander voorbeeld biedt de beeldendekunstwereld waarin het online moeilijker blijkt om vertrouwen tussen verkopers en kopers van kunst op te bouwen en ook evaluaties van werk moelijker blijken zonder andere fysiek aanwezige mensen (Buchholz et al. 2020).

Literatuur

Broek, A. van den (2020) Corona en de betekenis van het culturele leven: wat als de pandemie voorbijgaat, en wat als ze blijft? Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Broek, A. van den (2021) Wat hebben mensen met cultuur? Culturele betrokkenheid in de jaren tien. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Brouillette, S. (2020) Literature and the creative economy. Stanford: Stanford University.

Borg, L. ter (2020) ‘Nederlandse kunstmusea: diversiteit is beleid, maar de directeur is altijd wit’. Op: www.nrc.nl, 17 juni.

Buchholz, L., G. A. Fine en H. Wohl (2020) ‘Art markets in crisis: how personal bonds and market subcultures mediate the effects of COVID‑19.’ In: American Journal of Cultural Sociology, nr. 8, 462-476.

CBS (2018) ‘Minder zzp’ers verzekerd tegen arbeidsongeschiktheid’. Op: www.cbs.nl, 25 mei.

CBS (2021a) ‘Arbeidsmarkt culturele en creatieve sector 2010-2020Q4 (maatwerktabel)’ Op: www.cbs.nl, 5 augustus.

CBS (2021b) ‘Monitor Kunstenaars en andere werkenden met een creatief beroep, 2021’. Op: www.cbs.nl, 6 oktober.

Dee, A. en B. Schans (2021) Poppodia en -festivals in cijfers 2020. Amsterdam: Vereniging Nederlandse Poppodia en Festivals.

Engelshoven, I. van (2021a) Kamerbrief over steun aan de culturele en creatieve sector en herstelplan. Den Haag: Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Engelshoven, I. van (2021b) Kamerbrief over stand van zaken moties en toezeggingen over cultuur. Den Haag: Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Eurostat (2021) ‘Persons working as creative and performing artists, authors, journalists and linguists by individual and employment characteristics’. Op: ec.europa.eu, 25 juni.

Lijster, T. (2019) Verenigt u! Arbeid in de 21e eeuw. Amsterdam: Prometheus.

Groot, K. de (2021) Bioscoopmonitor 2020. Amsterdam: NVPI.

Janssens, S. (2021) ‘Op zoek naar een nieuwe tussenvorm’. In: Theaterkrant Magazine, jrg. 141, nr. 4, 26-29.

Kooke, S. (2019) ‘Hoe red je het klimaat met een theaterstuk?’ Op: www.trouw.nl, 30 oktober.

Kunsten ‘92 (2020) ‘Aanvullingen op derde steunpakket corona’. Op: www.kunsten92.nl, 27 oktober.

Meulen, K. van der (2019) ‘Voor kunstenaars, door kunstenaars. Broodfonds Tantoe Spang’. In: Boekman, jrg. 31, nr. 118, 36-38.

Moes, G. (2019) ‘Jongeren, de wereldwijde motor achter protesten tegen ongelijkheid’. Op: www.trouw.nl, 27 november.

Museumvereniging (2021) Museumcijfers 2020. Amsterdam: Museumvereniging en Stichting Museana.

O’Brien, K. (et al.) (2018) ‘Exploring youth activism on climate change’. In: Ecology and Society, jrg. 23, nr. 3.

Peters, J. en H. Roose (2020) ‘From starving artist to entrepreneur: justificatory pluralism in visual artists’ grant proposals’. In: The British Journal of Sociology, jrg. 71, nr. 5, 952-969.

Raad voor Cultuur (2020a) ‘Onderweg naar overmorgen: naar een wendbare en weerbare culturele en creatieve sector’. Op: www.rijksoverheid.nl, 16 december.

Raad voor Cultuur (2020b) ‘Culturele Basisinfrastructuur Advies 2021-2024‘. Op: www.rijksoverheid.nl, 4 juni. 

Raad voor Cultuur (2021) ‘Advies naar aanleiding van corona-addenda Culturele Basisinfrastructuur 2021-2024’. Op: www.rijksoverheid.nl, 4 november.

Sanz-Hernández, A. en I. Covaleda (2021) ‘Sustainability and creativity through mail art: a case study with young artists in universities’. In: Journal of Cleaner Production, nr. 318.

Schans, B. (2020) ‘Brief van de dag: popmuziek komt er bekaaid vanaf’. Op: www.volkskrant.nl, 12 juni.

Schrijen, B. (2021) Impact van de coronacrisis op leden van de NAPK. Amsterdam: Boekmanstichting.

Schrijvers, E., A. Keizer en G. Engbersen, red. (2015) Cultuur herwaarderen. Den Haag: Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.

Shiner, L. (2003) The invention of art: a cultural history. Chicago: University of Chicago.

Taskforce culturele en creatieve sector (2020) ‘Aan de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal’ Op: www.kunsten92.nl, 24 juni.

Uchelen, A. van (2021) ‘Klimaatroman steeds populairder: “Schrijvers voelen aankomen wat gebeuren gaat”’ Op: nos.nl, 15 augustus.

Vandenberg, F., M. Berghman en J. Schaap (2020) ‘The “lonely raver”: music livestreams during COVID- 19 as a hotline to collective consciousness?’. In: European Societies, jrg. 23, nr. 1, 5141-5152.

Waarlo, N. (2021) ‘Concerten mogen straks weer, maar verwacht niet dat alles snel weer bij het oude is, zegt de sector’. Op: www.volkskrant.nl, 15 september.

Verantwoording beeld

ILFU-YALFU / Fotografie: Lisa Maatjens