thema

Cultuur en participatie

Samenvatting
Er is veel aandacht voor een inclusievere cultuursector, waarbij iedereen aansluiting vindt. Hiervoor is kennis van en over verschillende vormen van cultuurparticipatie nodig. In dit verslag laten we zien dat er ongelooflijk veel data beschikbaar zijn die betrekking hebben op cultuurparticipatie. We bekijken welke vervolgstappen er nodig zijn om in de toekomst op gezamenlijke en systematische wijze data over cultuurparticipatie te verzamelen en te ontsluiten via de cultuurmonitor. We stellen een brede opvatting van cultuur voor en bekijken ook kritisch hoe we in onze onderzoeks- en monitoringsmethodiek inclusiever kunnen zijn. Dit doen we aan de hand van drie voorstellen:

1. We breken het begrip cultuurparticipatie op in consumptie, beoefening en draagvlak
We breken het begrip cultuurparticipatie op en maken ruimte voor kleinschalige en kwalitatieve onderzoeksrapporten.

2. We letten extra goed op ontwikkelingen in de relatie met het publiek
We volgen ontwikkelingen op het gebied van publieksparticipatie, inclusie en digitalisering.

3. We bieden toegang op onderzoek naar de impact en waarde van cultuur
We monitoren onderzoek naar cultureel-maatschappelijke projecten en volgen de ontwikkeling van impactstudies.

Van bezoeker naar participant

Cultuurparticipatie in de nieuwe landelijke cultuurmonitor

‘Het jaar 2019 was voor poppodia en popfestivals in alle opzichten een recordjaar. Nooit eerder programmeerden de aangesloten podia en festivals zoveel muziekprogramma’s als in 2019. Nooit eerder traden zoveel artiesten op voor zoveel publiek’, zo rapporteerde de Vereniging van Nederlandse Poppodia en Festivals (VNPF) na telling van 28.862 muziekoptredens van artiesten bij poppodia aangesloten bij de branchevereniging (VNPF 2020, 1). Ook het bioscoopbezoek steeg in 2019 met 6,5 procent naar 38 miljoen bezoeken: in 2018 waren dit er nog 35,7 miljoen (NVPI 2020). En Nederlandse musea trokken in 2019 – met 600.000 meer bezoekers dan in 2018 – bijna 33 miljoen bezoekers in totaal (Museumvereninging 2020).

Dit jaar zijn de bezoekcijfers dankzij de coronamaatregelen echter zeer somber. Veel mensen zitten thuis en bezoeken geen of minder films, tentoonstellingen, voorstellingen of concerten. Dit is niet alleen op korte termijn uiterst problematisch voor de inkomenspositie van culturele instellingen, de coronabeperkingen hebben ook bredere gevolgen. Zo heeft het effect op de mogelijkheid tot kunst- en cultuurbeoefening in de vrije tijd, zoals het zingen in koren of repeteren in groepsverband. Maar ook op het behalen van doelstellingen omtrent het aantrekken van nieuw en divers publiek, alsook op culturele activiteiten die gericht zijn op ondersteuning van maatschappelijke opgaven rondom eenzaamheid, armoede of welzijn. Denk bijvoorbeeld aan Dans op Recept die wekelijks danslessen aanbieden voor mensen met de ziekte van Parkinson. Toch zitten culturele instellingen en creatieve makers niet stil. Om mensen in hun eigen huiskamers te bereiken – nu fysiek bezoek moeilijk is – groeit het aantal digitale initiatieven vanuit de culturele sector (de Boekmanstichting houdt op haar website een overzicht bij van deze online culturele initiatieven).

Groeiend belang cijfers over cultuurparticipatie

Maar wat zeggen deze cijfers ons? En waarom zijn ze belangrijk? De cijfers vertellen ons iets over de manieren waarop mensen deelnemen aan cultuur en in hoeverre de coronacrisis van invloed kan zijn op de betekenis van cultuur in het leven van mensen (zie bijvoorbeeld het recente rapport van SCP). Aangemoedigd door de uitspraak ‘cultuur is van en voor iedereen’ door minister Van Engelshoven van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) in haar Uitgangspunten Cultuurbeleid 2021-2024 is er bij culturele instellingen en bestuurders de komende beleidsperiode volop aandacht voor publiek, bezoekers en deelnemers. Voor een inclusievere cultuursector – een sector waarbij iedereen aansluiting vindt – is (meer) kennis van en over publiek nodig. Zowel op landelijk als gemeentelijk niveau, maar ook vanuit instellingen, brancheverenigingen, op universiteiten en hogescholen vindt er dientengevolge in toenemende mate onderzoek plaats naar cultureel bezoek, beoefening in de vrije tijd, betrokkenheid bij cultuur en toegevoegde waarde van cultuur aan maatschappelijke opgaven. Vaak wordt dit gegroepeerd onder de brede noemer van cultuurparticipatie.  

Cultuurparticipatie voorbij bezoekersaantallen

Potentiële gebruikers van de cultuurmonitor vinden het dan ook belangrijk dat cultuurparticipatie een prominent onderwerp in de monitor wordt, zo blijkt uit ons onderzoek voor de nieuwe monitor. Er zijn allerlei cijfers beschikbaar: over bezoek en ticketverkopen, maar ook over tijdbesteding aan bijvoorbeeld toneelspelen of zingen, en meer kwalitatieve onderzoeken naar kunstbeleving. In ons onderzoek naar cultuurparticipatie voor de pilot van de Cultuurmonitor hebben we de vraag gesteld: welk beeld komt uit de huidige cijfers naar voren? En sluit dit beeld aan bij de vragen over cultuurparticipatie die leven in het beleid en veld?

In de gesprekken die we het afgelopen jaar voerden en de vele onderzoeken en artikelen die we lazen, werd cultuurparticipatie vaak en vooral beschreven en gemeten als het bezoeken van (gesubsidieerde) culturele instellingen of activiteiten. Dit terwijl veel onderzoekers pleitten voor het wegstappen van bezoek als maatstaf voor participatie (en bijbehorende term ‘de niet-bezoeker’) en er al jaren onderzoek wordt gedaan naar draagvlak, interesse en cultuurbeoefening in de vrije tijd door onder andere Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) en Landelijk Kennisinstituut Cultuureducatie en Amateurkunst (LKCA).

Cijfers over bezoek zijn zonder meer waardevol, maar laten ook belangrijke vormen van cultuurparticipatie onderbelicht. Naast de bekende voorbeelden van actieve kunstbeoefening, zoals muziek maken, zingen of schilderen en vrijwilligerswerk (bijvoorbeeld in de erfgoedsector) noemen we:

  1. Consumptie en beoefening van niet-gesubsidieerde culturele activiteiten. En in het bijzonder digitale vormen van cultuurdeelname, zoals podcasts luisteren en maken, gaming (spelen van online games of het deelnemen aan online communities omtrent gaming), digitale muziekbewerking en DJ’en of VJ-ing of vloggen.
  2. Culturele activiteiten in het maatschappelijke domein – ook in gesubsidieerde instellingen. Zoals deelname aan de vele activiteiten georganiseerd in musea, cultuurcentra en bibliotheken, maar ook in buurt- of gemeenschapshuizen, of in de zorg.  

Dat deze vormen van cultuurparticipatie nog onderbelicht zijn in landelijk monitoringsonderzoek is onder andere problematisch omdat het zorgt voor een smal cultuurbegrip. In Het culturele leven van het SCP uit 2018 is er al een flinke slag geslagen in het benaderen van cultuurparticipatie voorbij bezoekersaantallen, door draagvlak, interesse en beoefening in de vrije tijd als prominente thema’s te bespreken. De groei in het aantal digitale initiatieven en nieuwe mogelijkheden om deel te nemen aan cultuur sluit aan bij deze bredere opvatting van cultuurparticipatie en vraagt om aanvullende manieren van monitoring. Het toegenomen belang van inclusiviteit in de cultuursector, met aandacht voor nieuwe vormen, andere genres, en nieuw publiek vraagt eveneens om aanvullende manieren van monitoring, zo werd ook in de door ons gevoerde gesprekken benadrukt. Bij een dergelijk inclusief bestel gaan cultuurparticipatie en cultuureducatie hand in hand (zie pamflet Zet Cultuur op de Agenda van LKCA en Kunsten ’92).

In het vervolg van dit verslag leggen we aan de hand van drie voorstellen uit hoe we bovengenoemde aspecten van cultuurparticipatie in de komende jaren zullen monitoren.

1. We breken het begrip participatie op in consumptie, beoefening en draagvlak

Het begrip cultuurparticipatie is te complex om integraal te monitoren en daarmee alle gegevens te herleiden tot één kernindicator (zoals in de Cultuurindex wordt gedaan). Relevante data reiken van ticketverkopen zoals voor musea en productverkoop van bijvoorbeeld boeken, tot enquêtes aan landelijke panels over hun cultuurbezoek en -beoefening in de vrije tijd en de manier waarop ze die beoefening invullen. Dergelijke panelstudies worden bijvoorbeeld gedaan in de Vrijtijdsomnibus (VTO), de Monitor Amateurkunst en VerenigingsMonitor (van LKCA).

Vanwege die veelheid aan verschillende bronnen en type gegevens – die niet tot één conclusie over cultuurparticipatie kan leiden – breken we het begrip op in een aantal op zichzelf te bestuderen onderdelen: consumptie (inclusief bezoek), beoefening in de vrije tijd, en draagvlak en interesse (inclusief vrijwilligerswerk en ondersteuning). Onder ondersteuning valt het lid zijn van een belangenorganisatie, lid van een vriendenvereniging of donateur zijn (sluit aan bij Waarde van cultuur Brabant 2020). Deze aanpak is deels gebaseerd op de indeling die het SCP hanteerde in Het culturele leven, maar in de nieuwe cultuurmonitor wordt een aantal thema’s geclusterd, zoals bezoek onder consumptie. De thema’s consumptie, beoefening in de vrije tijd, en draagvlak en interesse worden vervolgens gekoppeld aan geselecteerde indicatoren die per kunstdomein worden bijgehouden.

De samenhang tussen al deze onderdelen (oftewel: cultuurparticipatie) brengen we de komende jaren in beeld aan de hand van trendanalyses en thematische rapportages op deze website. Dit betekent dat we actief monitoren op bezoekersaantallen, -kenmerken, tijdsbesteding en verkoopcijfers in de verschillende domeinen. We blijven ook gebruik maken van periodieke enquêtes naar vrijetijdsbesteding en gericht onderzoek naar cultuurparticipatie en cultuureducatie van het LKCA. Per 2020 neemt de Boekmanstichting samen met het CBS en Mulier Instituut de analyse van de VTO ter hand en stemmen we met het CBS en de ministeries van OCW en VWS (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) de manier van monitoren af. Streven is dat hierin meer aandacht komt voor verbreding van het cultuurbegrip, alsook meer aandacht voor nieuwe vormen van cultuurbeoefening en -consumptie, met name digitaal.

We kiezen daarnaast voor verdere uitbreiding van het aantal culturele domeinen door onder andere gaming als zelfstandig domein toe te voegen. Gaming is immers een belangrijk onderdeel van digitale cultuur, waardoor online of digitale cultuurbeleving en -beoefening hier vanzelfsprekender is dan bij sommige andere domeinen. Indicatoren over digitale cultuurdeelname krijgen ook bij andere domeinen een prominentere rol in het indicatorenschema, evenals consumptie van andere, veelal niet gesubsidieerde, cultuuruitingen zoals digitale muziekbeoefening, harmonie, fanfare of spoken word.

We maken ruimte voor kleinschalige en kwalitatieve onderzoeksrapporten

De basis van de monitoring van de verschillende thema’s en cultuurdomeinen is dus kwantitatief, over meerdere jaren en op landelijk niveau. Uit lokaal en kleinschalig onderzoek blijkt echter dat het culturele aanbod, deelname en interesse, veel groter is dan gemeten kan worden in een landelijk bevolkingsonderzoek. Hoe verder je uitzoomt, hoe algemener het beeld wordt en hoe sneller je terugvalt op de gesubsidieerde cultuur of de grotere instellingen en hoe meer dus buiten beeld blijft. We maken in het onderzoek voor de cultuurmonitor expliciet ruimte om trends in en aspecten van cultuurparticipatie die op basis van de kwantitatieve basisdata nog moeilijk meetbaar zijn, te beschouwen vanuit meer kleinschalige en kwalitatieve onderzoeksrapporten. Regionale en thematische rapportages geven bijvoorbeeld al beter inzicht in de breedte van wat mensen aan cultuur doen, zie bijvoorbeeld de culturele kaart van Art-Fact in Tilburg of ‘Diversiteit van muziekbeoefening in Delfshaven’ van Aušra Listavičiūtė (2019). Openbare Bibliotheek Amsterdam (OBA) tipt podcasts over boeken en verhalen, of je kunt luisteren naar de podcast van de Bibliotheek Zuid-Kennemerland. Meer thematische rapportages over digitale media (zoals mediagebruik van jongeren van Newcom Research & Consultancy of het CBS) kunnen daarnaast inzicht geven in vormen van online cultuurbeoefening.

Deze gegevens zullen niet (altijd) in onze monitoringsstructuur en database kunnen worden opgenomen, maar we blijven ze wel actief volgen.

2. We letten extra goed op ontwikkelingen in de relatie met het publiek

In gesprekken over de rol van de cultuurmonitor gaat het enerzijds vaak over de behoefte aan gegevens over aanbod en vraag, en anderzijds over de noodzaak meer aandacht te besteden aan interactieve en procesgerichte vormen van cultuurbeoefening. Denk bijvoorbeeld aan co-creatie tussen instellingen of makers en publiek, waarbij het publiek hun stem of ideeën kan laten horen. Zulke co-creatieprojecten en -praktijken zijn bovendien vaak expliciet gericht op vergroten van inclusiviteit, diversiteit en toegankelijkheid.

Deze vormen van cultuurparticipatie zijn varianten op het bredere fenomeen publieksparticipatie, zoals dat ook in andere maatschappelijke domeinen een vlucht heeft genomen. In de praktijk zien we publieksparticipatie bijvoorbeeld bij projecten als Mijn Schiedam van Stedelijk Museum Schiedam, Podium van de stad van Deventer Schouwburg of Helmond in 100 Stukskes als onderdeel van het Faro-programma. Culturele organisaties presenteren zichzelf steeds vaker als deelnemer in, facilitator of zelfs aanjager van maatschappelijke projecten. Zie bijvoorbeeld de discussie over de nieuwe definitie van musea die vorig jaar door ICOM werd voorgesteld, waar interactie, co-creatie en dialogen centraal staan in de vormgeving van museumprogramma’s. En ook fondsen, zoals het Fonds voor Cultuurparticipatie of VSBfonds, stimuleren maatschappelijke betrokkenheid door bij subsidieverstrekking nadruk te leggen op het betrekken van publiek bij de vormgeving van het aanbod. In de komende jaren zullen we het toegenomen belang van publieksparticipatie in het culturele domein daarom onder de aandacht blijven brengen.

We volgen ontwikkelingen op het gebied van publieksdata, inclusie en digitalisering

In de komende jaren zullen we daarnaast op drie manieren veranderingen in de relatie tussen organisaties en publiek in beeld proberen te krijgen. Allereerst is voor meer inzicht in publieksparticipatie een beter inzicht in de culturele leefstijlen en motieven van het (toekomstige) publiek van groot belang. ‘Pas wanneer vanuit dergelijke inzichten gewerkt wordt, kan het aanbod aanslaan bij een groter publiek’ (Eijck 2015, 114). Dergelijk onderzoek zullen wij niet zelf uitvoeren, maar we proberen met de monitor zo goed mogelijk aan te sluiten op initiatieven uit het veld die zulk onderzoek al bij elkaar proberen te brengen. Twee belangrijke ontwikkelingen op het gebied van publieksdata zijn de oprichting van Digitaal Informatiepunt Podiumkunsten (DIP) die vanaf 2021 zorgt voor meer inzicht in publiek van de podiumkunsten door informatie op één centrale plek te verzamelen, en de verkenning van een landelijk samenwerkingsverband voor publieksdata in de culturele sector (uitgevoerd door onder andere DEN, SiRM en PPMC, en Platform ACCT).

Daarnaast besteden we in de komende jaren extra aandacht aan het thema inclusie. Inclusie snijdt – net als cultuurparticipatie – dwars door alle thema’s (van arbeidsmarkt tot consumptie en infrastructuur) en cultuurdomeinen (van erfgoed tot gaming of podiumkunsten) in het indicatorenschema van de cultuurmonitor heen. Inclusie verdient daarom allereerst een eigen onderzoek. Hoe meet je inclusie? Welke datasets en methoden over inclusie zijn er beschikbaar en hoe kunnen deze ontsloten worden via de monitor? We zullen hiervoor een eigen themapagina inrichten en starten met het samenbrengen van reeds bestaand onderzoek over inclusie. Zo biedt bijvoorbeeld het onderzoek van APE Significant Onbeperkt cultuur beleven (2020) een eerste inventarisatie van de toegankelijkheid van culturele instellingen.

Tot slot verkennen we hoe digitalisering perspectieven kan bieden om co-creatiepraktijken en -projecten te onderzoeken. Zoals ook het LKCA stelt: ‘technologie vervaagt grenzen tussen hoge en lage kunst en tussen kunstdisciplines. Iedereen kan – in co-creatie – kunst maken en zijn creaties met de wereld delen’ (LKCA 2020, 5). Er zijn veel onlineplatforms waarbij aanbod en vraag sterk door elkaar lopen, en de relatie tussen publiek en makers verandert of vervaagt. Deze ontwikkelingen blijven nu nog echter nog onderbelicht in de monitoring van het culturele leven in Nederland.

3. We bieden toegang op onderzoek naar de impact en waarde van cultuur

Uit ons onderzoek blijkt tenslotte dat vragen en gesprekken over cultuurparticipatie vaak impliciet of expliciet gaan over de economische en maatschappelijke impact van cultuur, alsook over impact op het niveau van de participant – hun beleving en ervaringen. Terwijl er al (tot op zekere hoogte) informatie bekend is over de demografische gegevens van de participant, weten we nog weinig over diens ervaringen en beleving, terwijl de waarde van cultuur altijd in de relatie tot de participant schuilt. De beleving van cultuur is uiteindelijk wat doorwerkt in iemands gedrag, gevoel en verbeelding en het zijn deze waarden die op maatschappelijk niveau impact (zouden moeten) hebben (Idema 2020). Zie bijvoorbeeld de campagne Raak of Vermaak over de impact van kunst: wat brengt een bezoek aan een museum of theater teweeg bij het publiek? Of ‘De waarde van cultuur’ waarin cultuur wordt omschreven als een belangrijke bouwsteen voor maatschappelijke vraagstukken en bijdraagt aan de identiteit van de participanten (Gielen et al. 2014). Ook is er in onderzoek naar impact aandacht voor de vele community arts projecten waarbij kunst en cultuur worden ingezet voor projecten over maatschappelijke vraagstukken (Kunstloc Brabant deed hier bijvoorbeeld onderzoek naar).

We monitoren onderzoek naar maatschappelijke projecten en impactonderzoek

Deze dimensie van cultuurparticipatie – waarde en impact – is niet makkelijk landelijk, sectorbreed en op kwantitatieve wijze in kaart te brengen. Twee bestaande vormen van monitoring kunnen mogelijk uitkomst bieden. Ten eerste houden sommige branches en gemeenten maatschappelijke projecten en activiteiten bij. Via Bibliotheek inzicht is bijvoorbeeld data beschikbaar over bibliotheken en maatschappelijke activiteiten die aansluiten bij de kernfuncties van openbare bibliotheken. Zo is een sterke toename in aantal maatschappelijke activiteiten zichtbaar (van 72.422 in 2014 naar 220.227 in 2019) op het gebied van educatie en ontwikkeling of leesbevordering en kennismaking met literatuur. Recent werd dan ook in de media de verschuiving van de klassieke functie van bibliotheken (uitlenen van boeken) naar het organiseren van andere activiteiten met een maatschappelijke aard uitgelicht (Borst; Freriks; Heijmans 2020).

Daarnaast signaleren we het toenemende belang van impactmetingen, die verder gaan dan bezoekerscijfers en tevredenheidsonderzoek, en vaak kwalitatief van aard zijn. We volgen de toenemende interesse in impactonderzoek en impactmetingen. We zullen niet zelf impact meten, maar we monitoren op impactonderzoeken, ook als deze niet serieel en moeilijk schaalbaar zijn. We richten hiervoor volgend jaar een aparte pagina in op de website, waarbij inzichten uit bestaande onderzoeken over impact besproken worden.

Hoe nu verder?

Vervolgstappen om in de toekomst op gezamenlijke en systematische wijze data over cultuurparticipatie te verzamelen en te ontsluiten via de cultuurmonitor:

  • We blijven monitoren op bezoekersaantallen, -kenmerken, aanbod, tijdsbesteding en verkoopcijfers in de verschillende domeinen. We blijven ook gebruik maken van periodieke enquêtes naar vrijetijdsbesteding (VTO).
  • Indicatoren over digitale cultuurdeelname krijgen hierin een prominentere rol, evenals veelal niet gesubsidieerde cultuuruitingen.
  • Als aanvulling op de basisdata beschouwen we trends vanuit meer kleinschalige en kwalitatieve onderzoeken. Hierbij besteden we in het in bijzonder aandacht aan publieksparticipatie.
  • Impact gaan we niet zelf meten, maar we richten hiervoor in de komende jaren een aparte pagina in op de website, waarbij inzichten uit bestaande onderzoeken over impact besproken worden.
  • We ontwikkelen in de komende jaren ook een themapagina over inclusie. We starten daarbij met het bijeenbrengen van reeds uitgevoerd onderzoek op dit thema.

Verantwoording

Dit artikel is een ingekorte versie van een uitgebreide rapportage over het pilot traject van de cultuurmonitor, waarin we meer aandacht besteden aan de fasering van het onderzoek en de manier waarop cultuurparticipatie een rol krijgt in de monitor. Welke stappen hebben we genomen en hoe zijn we tot de drie conclusies en voorstellen gekomen? De volledige rapportage volgt spoedig op deze pagina. Naast literatuur- en praktijkonderzoek, hebben we tal van gesprekken gevoerd met professionals uit het culturele veld op het gebied van cultuurparticipatie.

Graag bedanken we onze gesprekspartners: Evert Bisschop Boele (Hanzehogeschool Groningen), Bo Broers (het PON), Marcus Cohen (DEN), Koen van Eijck (Erasmus Universiteit), Anna Elffers (zelfstandig onderzoeker, adviseur en docent), Loes Hoogenboom (DIP), Arno Neele (LKCA), Menno Urbanus (R2Research), Zoë Zernitz (LKCA), aanwezigen deelsessie cultuurparticipatie bij het Platform voor Cultuurstatistici (Hendrik Beerda, Andries van den Broek, Arno Neele, Jerker Spits en Menno Urbanus), aanwezigen bij de zesde bijeenkomst ‘Onderzoekersnetwerk cultuur in onderwijs’ van het LKCA.

Literatuur